Karel ende Elegast
Auteur: De auteur van Karel ende Elegast is onbekend
Informatie:Karel ende Elegast is een voor-hoofs ridderverhaal dat behoort tot de Karelepiek. In dit genre neemt het een speciale plaats in; Karel de Grote vertolkt immers de hoofdrol, terwijl hij in andere Karelromans eerder een nevenfiguur is. De auteur is onbekend. Het is omstreeks 1270 geschreven in Brabant. Het verhaal bestaat uit circa 1400 verzen.
Dankzij een vijftal drukken uit de 15e en de 16e eeuw bezit men een volledige versie van dit verhaal. Hiermee is Karel ende Elegast de enige Middelnederlandse Karelroman waarvan men nog een volledige tekst bezit.
Productinformatie:Auteur: onbekend
Taal: Nederlands
Afmetingen: 6x240x170 mm
Gewicht: 252,00 gram
Product breedte 170 mm
Product hoogte 6 mm
Product lengte 240 mm
Samenvatting:Koning Karel ligt ’s avonds in bed in zijn Kasteel wanneer hij via een engel een boodschap van God krijgt: “Ga uit stelen of je verliest je leven.” Karel gaat hier niet op in omdat hij denkt dat hij misschien wel misleid wordt. Maar wanneer de engel driemaal aan hem is verschenen met dezelfde boodschap, besluit hij er toch naar te handelen. Hij trekt erop uit en wanneer hij in het donkere woud loopt denkt hij aan Elegast, een vazal die hij uit zijn land heeft verbannen. Op dat moment komt hij een compleet in het zwart geklede ridder tegen die zich niet kenbaar wil maken. Ze raken in een gevecht dat Karel wint en waarna de ridder zich bekend maakt als Elegast. Elegast is door omstandigheden gedwongen om dief te worden en Karel ziet hier zijn kans. Hij stelt zich voor als Adelbrecht, ook dief van beroep. Hij stelt voor om koning Karel – zichzelf – te gaan bestelen. Elegast ziet dit niet zitten omdat hij, ondanks zijn verbanning, nog steeds trouw is aan zijn koning. In plaats daarvan stelt hij voor om Eggeric, de kwaadaardige zwager van Karel, te bestelen. Ze gaan op weg naar het kasteel van Eggeric en onderweg vindt Adelbrecht (Karel dus) een ploegschaar. Hij stelt voor om deze mee te nemen om te gebruiken tijdens het inbreken, maar daarop begint Elegast te lachen; om in te kunnen breken heb je niks aan een ploegschaar.
Eenmaal aangekomen bij het kasteel van Eggeric gaat Elegast als eerst naar binnen. Binnen wordt hij gewaarschuwd door een haan, die zegt hem dat koning Karel in de buurt is. Hij kan deze haan verstaan door magische kruiden. Elegast keert hierna weer naar buiten en wil niet langer inbreken bij Eggeric. Adelbrecht haalt hem over om de operatie toch door te zetten. Elegast brengt alle bewoners van het kasteel in een diepe slaap met behulp van een toverspreuk. Alle sloten worden geopend en de buit wordt naar buiten gebracht. Karel vindt het zo wel mooi geweest en wil weer naar huis gaan, maar Elegast wil nog een heel kostbaar zadel stelen en gaat dus weer naar binnen. Dit zadel bevindt zich in de slaapkamer van Eggeric en door de geluiden die Elegast per ongeluk maakt wordt Eggeric wakker. Hij maakt zijn vrouw wakker maar die verzekert hem ervan dat er niets aan de hand is. Ze vraagt haar man wat hij van plan is en hij vertelt eerlijk dat hij zijn zwager, koning Karel, wil doden. Zij wordt hier woedend om, Karel is ten slotte haar broer. Eggeric smoort deze woede in de kiem door zijn vrouw een klap in haar gezicht te verkopen.
Ondertussen ligt Elegast onder het bed en hoort dit gesprek. Hij vangt het bloed van de bloedneus van de vrouw in zijn handschoen en keert terug naar buiten. Hij vertelt Adelbrecht over het plan van Eggeric en laat het bloed op zijn handschoen zien. Hij wil direct actie ondernemen en Eggeric om het leven brengen. Karel beseft waarom God hem de opdracht heeft gegeven om te gaan stelen. Hij stelt voor dat Elegast naar koning Karel gaat om hem te waarschuwen, maar dit wil Elegast niet omdat hij verbannen is. Adelbrecht biedt vervolgens aan om zelf de koning te gaan waarschuwen en Karel vertrekt dus weer naar zijn eigen kasteel.
De volgende dag wordt er hof gehouden en koning Karel geeft de verraders een warm ontvangst. Vervolgens beschuldigt hij ze van het samenzweren tegen hem, wat zij natuurlijk ontkennen. Koning Karel laat Elegast aan zijn hof verschijnen die met het bloed aan zijn handschoen kan tonen dat Eggeric schuldig is. Uiteindelijk wordt besloten dat Eggeric gedood zal worden door Elegast. Hij wordt weer in ere hersteld en trouwt met de weduwe van Eggeric, Karels zus.
Recensie:De Volkskrant
Han van Gessel, 6 februari 1998, 00:00
'Karel en Elegast' in modern jasje
EEn van de mooiste Middelnederlandse verhalen is Karel en Elegast. Het speelt zich af in de Middeleeuwen in de burcht van Karel de Grote in Ingelheim....
Verder zijn er niet echt recensies te vinden over dit boek, dit komt doordat in de tijd dat het boek gepubliceerd werd er geen recensies geschreven werden. Ook worden er geen recensies geschreven over boeken die meer dan een eeuw geleden geschreven zijn.
Taal: Nederlands
Afmetingen: 6x240x170 mm
Gewicht: 252,00 gram
Product breedte 170 mm
Product hoogte 6 mm
Product lengte 240 mm
Han van Gessel, 6 februari 1998, 00:00
Lucifer
Auteur:
Geboren te Keulen in 1587. Zijn ouders waren Protestant, ze waren daarom uit Antwerpen gevlucht en via Keulen en Utrecht naar Amsterdam gegaan. Hij maakte in 1610 zijn eerste grote werk, dat was "Het Pascha ofte de Verlossinge Israels wt Egypten, tragecomedischer wyse eenyeder tot leeringh opt tonneel gesteld".
Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) neemt de politieke spanning toe, uit die tijd stammen enkele van zijn hekeldichten namelijk "Hollandse trasformatie"(1618) en "Geusevesper"(1619).
Hij kreeg veel contacten met Hooft en de Muiderkring. Hij ging zich toen ook meer verdiepen in de klassieke verbeeldingswereld. Hij schreef in de tijd 1620-1635 veel boeken over politiek. Steeds kwam hij op voor de vermoorde van Oldenbarnevelt en was hij tegen Maurits en zijn politieke en godsdienstige onderdrukking. In zijn werken liet hij dat terugkomen met een felle of spottende toon. Werken zoals "Rommelpot van 't Hanekot" (1627), "Roskam"(1630) en "Decretum Horrible"(1631). Vanaf 1632 wordt is de toon in zijn werken niet zo fel meer, dit komt onder andere door het contact met Hugo de Groot.
In zijn directe omgeving zijn in deze periode ook veel sterfgevallen die aanleiding waren voor een reeks klaagzangen o.a. "Kinderlyck" en "Lyccklaght aan het Vrouwekoor, over het verlies van mijn ega" (1635).
De stad Amsterdam had hem opdracht gegeven een toneelstuk te schrijven om de nieuwe schouwburg te openen. Dat toneelstuk werd zijn belangrijkste werk. "Gijsbrecht van Aemstel" (1637) is één grote verheerlijking van de stad Amsterdam, de stad wordt vergeleken met het Troje uit de oudheid.
In de tijd die volgde verdiepte hij zich in de Griekse tragedie, hij vertaalde er een aantal. Zelf schreef hij in 1640 de treurspelen "Joseph in Dothan" en "Joseph in Egypten".
In 1640 of 1641 trad hij toe tot de Rooms-Katholieke Kerk. In de eerste jaren hierna vertaalde hij veel klassieke werken en schreef hij bijvoorbeeld "Leeuwendalers" (1647), "Lucifer"(1654), "Jephta"(1659) en "Adam in Ballingschap"(1664). Hij ging zich ook verdiepen in de theorie van het drama.
Na deze periode bleef hij veel treurspellen schrijven en zich steeds verder ontwikkelen. Op 5 februari 1679 stierf hij in Amsterdam, hij werd begraven in de Nieuwe Kerk.
Informatie:
Het toneelstuk Lucifer is een in de hemel gesitueerd treurspel van Joost van den Vondel, geschreven van 1648 tot 1654 en in première gegaan op 2 februari 1654 in de Amsterdamse schouwburg. Wanneer God de mens boven de engelen plaatst, begint de afgunstige stedehouder Lucifer een opstand die ermee eindigt dat veldheer Michaël de weerspannigen uit de hemel bliksemt, waarna Lucifer op aarde uit wraak het eerste mensenpaar tot de zondeval brengt. Na de tweede voorstelling op 5 februari verbood het stadsbestuur op aandringen van de kerkenraad verdere opvoeringen. Lucifer is opgedragen aan keizer Ferdinand III van het Heilige Roomse Rijk en geldt als 'een van de zeldzame produkten uit onze letterkunde, die een blijvende plaats in de wereldliteratuur bekleden.
Productinformatie:
Auteur: Joost van den Vondel
Redactie: M.A. Schenkeveld-Van Der Dussen
Overige betrokkenen: Maria A. Schenkeveld-van der Dussen
Taal: Nederlands
Gewicht: 982,00 gram
Product breedte: 170 mm
Product hoogte: 33 mm
Product lengte: 246 mm
Samenvatting:
Lucifer heeft Appolion naar de aarde gestuurd om te gaan kijken hoe de mens daar leeft. Toen Appolion terug kwam deed hij verslag bij Belzebub over het Hof van Eden. Het bleek dat het paradijs op aarde mooier was dan het paradijs van de engelen. Adam en Eva hadden veel meer schoonheid.
Gabriël, samen met de rei engelen, kwam toen vertellen dat God besloten had om de mens boven de engelen te plaatsen. De engelen moesten voortaan de mensen dienen en aanbidden.
Lucifer ging naar Gabriël, samen met een stoet van engelen. Hij ging klagen. Voordat Gabriël er was stookte Belzebub Lucifer op dat hij zich moest verzettem. Toen Gabriël kwam ging Lucifer vragen stellen. Gabriël gaf echter geen antwoord en zei dat Lucifer moest vertrouwen op God. Belzebub stookte Lucifer weer op. Deze keer met succes. Er ontstonden nu twee groepen engelen, de Luciferisten en de Rei (de goede engelen). Ze gingen strijden met elkaar. Michael geeft zijn veldheer Gabriël met zijn schildknaap Uriël de opdracht om de opstand tot een einde te brengen. Rafael probeerde vrede te sctichten. Hij deed zijn uiterste best om Lucifer alsnog tot inkeer te brengen. Als Lucifer door zou gaan zal hem een afschuwelijke straf te wachten staan. Rafael zag wel dat Lucifer wanhopig was, en riep de Rei te hulp. Samen bidden ze tot God Dat Hij de opstandige engelen genadig mag zijn.
Uriël verteld het verloop van de slag aan Rafael. Lucifer had de slag verloren en stort de diepte in. Hij veranderde in een monster, een mengeling van zeven dieren. (Deze zeven dieren symboliseren de zeven hoofdzonden.)
De Rei van Engelen zingt een overwinningslied, dat eindigt in een lofprijzing van God. Toen kwam echter Gabriël met een ongelukkig verhaal: ‘Lucifer heeft zich gewroken door Belial naar de aarde te sturen. Hij heeft Adem en Eva door de slang laten verleiden. Maar gelukkig zal eens de Verlosser komen, die de zonde kan vergeven.’
De duivels werden opgesloten, en het hellevuur werd ontstoken om de gevallen engelen voor eeuwig te straffen. Aan het eind spreekt de Rei van Engelen de hoop uit dat de Verlosser komen zal.
Recensie:
Er zijn geen recensies te vinden over dit boek, dit komt doordat in de tijd dat het boek gepubliceerd werd er geen recensies geschreven werden. Ook worden er geen recensies geschreven over boeken die meer dan een eeuw geleden geschreven zijn.
Geboren te Keulen in 1587. Zijn ouders waren Protestant, ze waren daarom uit Antwerpen gevlucht en via Keulen en Utrecht naar Amsterdam gegaan. Hij maakte in 1610 zijn eerste grote werk, dat was "Het Pascha ofte de Verlossinge Israels wt Egypten, tragecomedischer wyse eenyeder tot leeringh opt tonneel gesteld".
Het toneelstuk Lucifer is een in de hemel gesitueerd treurspel van Joost van den Vondel, geschreven van 1648 tot 1654 en in première gegaan op 2 februari 1654 in de Amsterdamse schouwburg. Wanneer God de mens boven de engelen plaatst, begint de afgunstige stedehouder Lucifer een opstand die ermee eindigt dat veldheer Michaël de weerspannigen uit de hemel bliksemt, waarna Lucifer op aarde uit wraak het eerste mensenpaar tot de zondeval brengt. Na de tweede voorstelling op 5 februari verbood het stadsbestuur op aandringen van de kerkenraad verdere opvoeringen. Lucifer is opgedragen aan keizer Ferdinand III van het Heilige Roomse Rijk en geldt als 'een van de zeldzame produkten uit onze letterkunde, die een blijvende plaats in de wereldliteratuur bekleden.
Auteur: Joost van den Vondel
Lucifer heeft Appolion naar de aarde gestuurd om te gaan kijken hoe de mens daar leeft. Toen Appolion terug kwam deed hij verslag bij Belzebub over het Hof van Eden. Het bleek dat het paradijs op aarde mooier was dan het paradijs van de engelen. Adam en Eva hadden veel meer schoonheid.
Er zijn geen recensies te vinden over dit boek, dit komt doordat in de tijd dat het boek gepubliceerd werd er geen recensies geschreven werden. Ook worden er geen recensies geschreven over boeken die meer dan een eeuw geleden geschreven zijn.
Max Havelaar
Auteur:Eduard Douwes Dekker (Amsterdam, 2 maart 1820 – Ingelheim am Rhein, 19 februari 1887) was een Nederlandse schrijver die bekend is geworden onder het pseudoniem Multatuli.
Hij kreeg in 1838 een baan als ambtenaar in Nederlands-Indië (het tegenwoordige Indonesië), waar hij de vele wantoestanden zag onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse koloniale bewind. Zijn bekendste werk is de kaderroman Max Havelaar, waarin hij - op basis van zijn eigen ervaringen - de behandeling van de plaatselijke bevolking door Nederlandse en Nederlands-Indische bestuurders aan de kaak stelde. In dit boek koos Dekker het pseudoniem Multatuli, Latijn voor 'ik heb veel (leed) gedragen' (=multa tuli).
In juni 2002 werd Max Havelaar door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde uitgeroepen tot het belangrijkste Nederlandstalig letterkundige werk aller tijden. In 2004 eindigde Multatuli op de 34e plaats in de verkiezing van De grootste Nederlander.
Informatie:Max Havelaar, of de koffi-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy is een in 1860 gepubliceerde roman van Multatuli (het pseudoniem van Eduard Douwes Dekker) over een man die ageert tegen het corrupte regeringssysteem van Nederlands-Indië. Het werk heeft een grote invloed gehad op zowel de Nederlandse literatuur als de Nederlandse koloniale politiek. Max Havelaar geldt als een van de belangrijkste werken uit de canon van de Nederlandse literatuur. Het boek werd in 1976 verfilmd.
Productinformatie:Auteur: Multatuli, Van Es
Taal: Nederlands
Gewicht: 332,00 gram
Product breedte: 125 mm
Product hoogte: 26 mm
Product lengte: 200 mm
Samenvatting:Een makelaar in koffie - zijn naam plus adres wordt de lezer grondig ingepeperd - schrijft een boek (hoewel dat niet zijn gewoonte is) Dat is te zeggen: hij schrijft dat hij een boek wil gaan schrijven. Hij is, tegen zijn zin weliswaar, in het bezit gekomen van een heel pakket schrijfsels van een oude schoolvriend, die aan lager wal geraakt is. Hij was deze schoolvriend toevallig tegen het lijf gelopen, en omdat deze nogal armoedig gekleed was, en een sjaal droeg, wordt hij door de makelaar denigrerend als 'Sjaalman' aangeduid. Zijn aanvankelijke afkeer van Sjaalman en van diens pakket draait om in nieuwsgierigheid wanneer hij bij het doorsnuffelen ervan ('Van het pakket, meen ik', zou Multatuli zeggen) bemerkt dat een aantal van de daarin voorkomende geschriften over koffie handelt.
Hij overweegt dan dat hij die geschriften wel voor zijn boek kan gebruiken, al ziet hij wel in dat het componeren van losse gedachten tot een leesbaar geheel nog geen sinecure is.
Maar daarvoor heeft hij wel een oplossing: hij schakelt de hulp in van zijn jongste bediende Stern. 'Maar, dacht ik, als ik myn boek door die Stern schryven liet? Als ik er wat by te voegen heb, schryf ikzelf van-tyd-tot-tyd een hoofdstuk.' (hs. 4 p.36). Aldus geschiedt, en zo krijgen we een boek in een boek te lezen: na vier hoofdstukken van Batavus Droogstoppel, de koffiemakelaar, begint het relaas dat Stern heeft samengesteld uit het pakket van Sjaalman. Die geschriften blijken zich af te spelen in Nederlands-Indië, en te handelen over een zekere Max Havelaar, waarin de lezer al snel Sjaalman herkent. De kern van de geschiedenis van Max Havelaar is zijn optreden als Nederlands bestuursambtenaar in Lebak, op Java. Havelaar blijkt daar al spoedig in conflict te zijn gekomen met de inlandse regent, die hij van corruptie en uitzuiging van zijn ondergeschikten beschuldigt. Hij wordt bij gebrek aan bewijs tegen uiteindelijk niet voldoende gesteund door zijn Nederlanderleuren, en is gedwongen ontslag te nemen.
Tot goed begrip van de hele situatie wordt dit relaas van tijd tot tijd onderbroken door uiteenzettingen over de structuur van het bestuurlijke apparaat in Indië', en over wat zich met Havelaar vóór zijn verblijf in Lebak heeft afgespeeld (hij was daarvoor in Natal) Ook last Stern waar nodig vertellingen van Havelaar in, zoals in het verhaal van de Japanse steenhouwer, of de geschiedenis en Adinda.
Nog enkele malen onderbreekt Droogstoppel, die vreselijk zijn best doet te begrijpen wat dit nu allemaal met koffie te maken heeft, het Havelaar-verhaal, totdat uiteindelijk niet alleen Stern, maar ook hijzelf door de schrijver bij de kladden genomen wordt:
Havelaar doolde arm en verlaten rond. My zocht...
Genoeg, myn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zyt niet geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schryven. Ik heb U in ,t leven geroepen... ik liet U komen van Hamburg... ik leerde U redelyk goed hollands schryven, in zeer korte tyd... ik liet U Louise Rosemeyer kussen, die in suiker doet... het is genoeg, Stern, ge kunt gaan!
Die Sjaalman en zyn vrouw...
Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary! Ik heb U geschapen... ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen... ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffie en verdwyn!
Ja, ik, Multatuli 'die veel gedragen heb' neem de pen op. Ik vraag geen verschoning voor de vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor ter bereiking van myn doel.
(Max Havelaar hs. 20 p.246).
Intussen hebben 'de oplettende lezertjes' natuurlijk ook begrepen dat Sjaalman/Havelaar niemand minder is dan Multatuli, de verteller van het hele boek.
Als houvast voor het vervolg geef ik nog eens in grote trekken de inhoud van de hele roman weer.
hs. 1 t/m 4
Batavus Droogstoppel vertelt dat hij ten boek wil schrijven over koffie, want hij is makelaar in koffie. Van ten oude schoolvriend, die hij Sjaalman noemt, heeft hij een heel pakket geschriften gekregen, en daarin bevinden zich toevallig ook ten aantal vertogen die met de koffiecultuur in Indië te maken hebben. Hij kan ze misschien wel gebruiken voor zijn boek. Zijn jongste bediende Stern kan hem daarbij wel helpen.
hs. 5 t/m 6
Begin van het verhaal dat Stern uit het pak van Sjaalman heeft samengesteld. Het gaat over een zekere Max Havelaar, die pas benoemd is tot assistent-resident in Lebak, een gebied op Java. Via allerlei uitweidingen wordt Havelaars aankomst verteld, kennismaking met de overige regeringsambtenaren, en de toespraak die hij houdt tot de hoofden van Lebak (hs. 8).
hs. 9 t/m 10
Batavus Droogstoppel onderbreekt het verhaal van Stern met een preek van dominee Wawelaar. Daarna berispt hij Stern over 'een prul' van Heinrich Heine.
hs. 11 t/m 14
Havelaar vertelt over zijn belevenissen op Sumatra. De geschiedenis van 'De Japanse steenhouwer' (hs.11); over het kastekort in Natal (hs. 12 t/m 14).
hs. 15 t/m 16
De bevolking klaagt bij de assistent-resident. Als voorbeeld wordt de lezer het verhaal van de buffel roof beloofd.
hs. 16
... maar vlak voordat het zover is onderbreekt Droogstoppel het betoog. 'Ik heb nog nooit een buffel gehad, en toch ben ik tevreden. Er zyn mensen die altyd klagen.
hs. 17
De buffelroof: de geschiedenis van Saïdjah en Adinda
hs. 18
Havelaar beklaagt zich schriftelijk bij de resident over de inlandse regent.
hs. 18
... en wordt nog eenmaal onderbroken door Droogstoppel...
Is. 19 t/m 20
Havelaar, in de steek gelaten door zijn directe superieur, vraagt aan de Gouverneur-Generaal ontslag uit 's lands dienst. Aan het eind ontneemt Multatuli eigenhandig zowel Stern als Droogstoppel het woord, om zelf de pen op te nemen en zich te richten tot koning Willem III, omdat 'daarginds' Uw meer dan dertig miljoenen onderdanen worden MISHANDELD EN UITGEZOGEN in UW naam'.
Hij overweegt dan dat hij die geschriften wel voor zijn boek kan gebruiken, al ziet hij wel in dat het componeren van losse gedachten tot een leesbaar geheel nog geen sinecure is.
Maar daarvoor heeft hij wel een oplossing: hij schakelt de hulp in van zijn jongste bediende Stern. 'Maar, dacht ik, als ik myn boek door die Stern schryven liet? Als ik er wat by te voegen heb, schryf ikzelf van-tyd-tot-tyd een hoofdstuk.' (hs. 4 p.36). Aldus geschiedt, en zo krijgen we een boek in een boek te lezen: na vier hoofdstukken van Batavus Droogstoppel, de koffiemakelaar, begint het relaas dat Stern heeft samengesteld uit het pakket van Sjaalman. Die geschriften blijken zich af te spelen in Nederlands-Indië, en te handelen over een zekere Max Havelaar, waarin de lezer al snel Sjaalman herkent. De kern van de geschiedenis van Max Havelaar is zijn optreden als Nederlands bestuursambtenaar in Lebak, op Java. Havelaar blijkt daar al spoedig in conflict te zijn gekomen met de inlandse regent, die hij van corruptie en uitzuiging van zijn ondergeschikten beschuldigt. Hij wordt bij gebrek aan bewijs tegen uiteindelijk niet voldoende gesteund door zijn Nederlanderleuren, en is gedwongen ontslag te nemen.
Tot goed begrip van de hele situatie wordt dit relaas van tijd tot tijd onderbroken door uiteenzettingen over de structuur van het bestuurlijke apparaat in Indië', en over wat zich met Havelaar vóór zijn verblijf in Lebak heeft afgespeeld (hij was daarvoor in Natal) Ook last Stern waar nodig vertellingen van Havelaar in, zoals in het verhaal van de Japanse steenhouwer, of de geschiedenis en Adinda.
Nog enkele malen onderbreekt Droogstoppel, die vreselijk zijn best doet te begrijpen wat dit nu allemaal met koffie te maken heeft, het Havelaar-verhaal, totdat uiteindelijk niet alleen Stern, maar ook hijzelf door de schrijver bij de kladden genomen wordt:
Havelaar doolde arm en verlaten rond. My zocht...
Genoeg, myn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zyt niet geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schryven. Ik heb U in ,t leven geroepen... ik liet U komen van Hamburg... ik leerde U redelyk goed hollands schryven, in zeer korte tyd... ik liet U Louise Rosemeyer kussen, die in suiker doet... het is genoeg, Stern, ge kunt gaan!
Die Sjaalman en zyn vrouw...
Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary! Ik heb U geschapen... ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen... ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffie en verdwyn!
Ja, ik, Multatuli 'die veel gedragen heb' neem de pen op. Ik vraag geen verschoning voor de vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor ter bereiking van myn doel.
(Max Havelaar hs. 20 p.246).
Intussen hebben 'de oplettende lezertjes' natuurlijk ook begrepen dat Sjaalman/Havelaar niemand minder is dan Multatuli, de verteller van het hele boek.
Als houvast voor het vervolg geef ik nog eens in grote trekken de inhoud van de hele roman weer.
hs. 1 t/m 4
Batavus Droogstoppel vertelt dat hij ten boek wil schrijven over koffie, want hij is makelaar in koffie. Van ten oude schoolvriend, die hij Sjaalman noemt, heeft hij een heel pakket geschriften gekregen, en daarin bevinden zich toevallig ook ten aantal vertogen die met de koffiecultuur in Indië te maken hebben. Hij kan ze misschien wel gebruiken voor zijn boek. Zijn jongste bediende Stern kan hem daarbij wel helpen.
hs. 5 t/m 6
Begin van het verhaal dat Stern uit het pak van Sjaalman heeft samengesteld. Het gaat over een zekere Max Havelaar, die pas benoemd is tot assistent-resident in Lebak, een gebied op Java. Via allerlei uitweidingen wordt Havelaars aankomst verteld, kennismaking met de overige regeringsambtenaren, en de toespraak die hij houdt tot de hoofden van Lebak (hs. 8).
hs. 9 t/m 10
Batavus Droogstoppel onderbreekt het verhaal van Stern met een preek van dominee Wawelaar. Daarna berispt hij Stern over 'een prul' van Heinrich Heine.
hs. 11 t/m 14
Havelaar vertelt over zijn belevenissen op Sumatra. De geschiedenis van 'De Japanse steenhouwer' (hs.11); over het kastekort in Natal (hs. 12 t/m 14).
hs. 15 t/m 16
De bevolking klaagt bij de assistent-resident. Als voorbeeld wordt de lezer het verhaal van de buffel roof beloofd.
hs. 16
... maar vlak voordat het zover is onderbreekt Droogstoppel het betoog. 'Ik heb nog nooit een buffel gehad, en toch ben ik tevreden. Er zyn mensen die altyd klagen.
hs. 17
De buffelroof: de geschiedenis van Saïdjah en Adinda
hs. 18
Havelaar beklaagt zich schriftelijk bij de resident over de inlandse regent.
hs. 18
... en wordt nog eenmaal onderbroken door Droogstoppel...
Is. 19 t/m 20
Havelaar, in de steek gelaten door zijn directe superieur, vraagt aan de Gouverneur-Generaal ontslag uit 's lands dienst. Aan het eind ontneemt Multatuli eigenhandig zowel Stern als Droogstoppel het woord, om zelf de pen op te nemen en zich te richten tot koning Willem III, omdat 'daarginds' Uw meer dan dertig miljoenen onderdanen worden MISHANDELD EN UITGEZOGEN in UW naam'.
Recensie:
Recensie 1
Max Havelaar revisited
− 12/12/09, 00:00
recensie Honderdvijftig jaar geleden verscheen Multatuli’s ’Max Havelaar’, vaak beschouwd als de beste roman die ooit in Nederland verscheen. Rob Schouten las het boek dit jubileumjaar voor het eerst van kaft tot kaft. Verwarrend, zelfs verbijsterend is het nog altijd, maar dan vooral om zijn revolutionaire vorm, als vernieuwend kunstwerk.
Op 13 oktober 1859 schreef Multatuli aan zijn vrouw ‘Lieve hart mijn boek is af, mijn boek is af!’ Honderdvijftig jaar later liet de Nederlandse Google-site ter ere van deze gebeurtenis een speciaal logo met hutjes en koffiebonen zien, maar heel veel stof deed het Havelaarjaar verder niet opwaaien. En dat terwijl we toch het jubileum van het belangrijkste boek uit de Nederlandse literatuur vieren, van een schrijver over wie in de jongste literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw (’Alles is taal geworden’ van Willem van den Berg en Piet Couttenier) staat: „Buitenissig, uitzonderlijk talent laat zich nu eenmaal niet plooien op het ongemakkelijke procrustesbed van de literatuurhistorie.” En hier, het gezaghebbende buitenland bij monde van de Encyclopaedia Brittanica: „De conversatiestijl en het soort humor waren Multatuli’s tijd ver vooruit, en het boek bleef lang een uniek fenomeen.”
De Max Havelaar herlezen is als een reis maken door een land waar je in je jongelingsjaren al eens eerder bent geweest en waarvan de hoogtepunten in je geheugen gegrift staan maar de details allicht vervlogen zijn. Alhoewel, ik moet tot mijn schande bekennen dat ik de Max Havelaar nooit eerder in een rechte lijn, van begin naar einde, las. Wat niet betekent dat ik het niet helemaal tot me genomen heb, want het is een boek dat je ook kriskras kunt lezen, het is immers juist niet rechttoe rechtaan geschreven maar wemelt van de perspectiefwisselingen, verhalen in verhalen, plotselinge overgangen en ander literair trapezewerk dat z’n weerga nauwelijks kent.
En verder is het zo’n onontkoombaar cultuurgoed geworden dat je het zelfs zonder het gelezen te hebben wel min of meer kent. Een roman vol klassieke passages die zich vaak losgezongen hebben van hun context. Van de wonderlijke opening met het toneelstukje waarin Barbertje moet hangen tot het indrukwekkende einde, waarin de schrijver zich rechtstreeks tot de koning en het Nederlandse volk richt met zijn grieven. En daartussendoor de indrukwekkende toespraak tot de Hoofden van Lebak, het sprookje van de Japanse steenhouwer, de tranentrekkende geschiedenis van Saïdjah en Adinda.
Vreemd genoeg bleek ik er slechts een stokoud exemplaar van te bezitten, uit 1922, waarin de hoofdpersoon nog ‘adsistent-resident’ genoemd wordt en persoonlijk voornaamwoorden als ‘hy’ en ‘zy’ worden gespeld. Maar ook wie de jongste drukken leest krijgt nog het negentiende-eeuwse taalgebruik, anders dan in het buitenland waar nieuwe vertalingen het boek hebben ‘opgefrist’. De Zweden bijvoorbeeld kennen een veel modernere versie van de Max Havelaar dan wijzelf, zoals wij op onze beurt ook een modernere Strindberg lezen dan de Zweden.
Het vooruitstrevende van de Max Havelaar zit ‘m trouwens niet in het taalgebruik en zeker niet in de gedichten die Multatuli her en der invoegde en die we gerust tot de beruchte draken mogen rekenen. Het is de structuur van de roman, of misschien wel het ontbreken ervan die je als hedendaagse lezer nog steeds verbijstert. De geschiedenis van Havelaar, verteld door de Duitse klerk Stern, die zijn verhaal weer optekent uit de literaire exercities van Sjaalman, wiens ‘pak’ aantekeningen in handen van de benepen kleinburger Batavus Droogstoppel is geraakt. Eigenlijk word je steeds op het verkeerde been gezet, want wie bepaalt nu het perspectief in dit boek? De zogenaamde chroniqueur van Havelaars wederwaardigheden bijvoorbeeld, Stern, groeit allengs uit tot een alwetende verteller, en die krijgt op het eind weer z’n congé door de schrijver Multatuli zelf.
Ik snap eigenlijk wel dat het boek zijn doel, het opschudden van de publieke opinie, indertijd voorbijschoot, omdat de auteur een soort ideale lezer verwachtte die alle valkuilen, ironie, spel met fictie en feiten wist te reduceren tot de kernboodschap. Zelfs nu nog weet een door modernisme en postmodernisme gepokt en gemazeld lezer niet meteen wát van alles te denken.
Neem het verhaal van Saïdjah en Adinda, over de gestolen buffels en het treurig noodlot van hun bezitters, door Multatuli zelf als een verdichtsel gepresenteerd: „Daarom heb ik, in plaats van dorre namen van personen en plaatsen, met de dagtekening er bij, in plaats van een afschrift der lijst van diefstallen en afpersingen, die voor me ligt getracht een schets te geven van wat er kán omgaan in de harten van arme lieden die men berooft van wat dienen moet tot onderhoud van hun leven.” Ik zou niet graag de kost geven aan lezers die, in de geest van Batavus Droogstoppel, eerder overtuigd waren door zo’n lijst dan door een romantisch-larmoyante vertelling in een toch al zo grillig gecomponeerde roman. Op mij kwam het, bij herlezing, tenminste als een retorische truc over. Een dominee die een gelijkenis vertelt. Mooi gedaan, maar na afloop ga je gerust naar huis.
Het verbaast me dan ook niet dat Paul van ’t Veer, in zijn biografie ’Het leven van Multatuli’, de mens Douwes Dekker in zijn strijd tegen de misstanden en gezagdragers overtuigender vond dan zijn literaire alter ego Max Havelaar. Havelaar heeft iets van een halfgod en heiland, terwijl Dekker in werkelijkheid heel wat onbeheerster en minder doortastend te werk ging.
Ach, het is bekend, de Max Havelaar, bedoeld als agitprop voor een betere wereld, werd hoge literatuur, niks meer. En dat is ook de reden dat we er tegenwoordig nog van kunnen genieten. De mooiste regel vond ik deze over de resident Slijmering, in werkelijkheid Brest van Kempen, die de verdenking wekt ’dat zijn vrij grote neus zich op dat gelaat verveelde, omdat er zo weinig op voorviel’. Een prachtobservatie, maar de gemoederen schud je er niet mee op.
Recensie 2
Gera's lezing van 'Max Havelaar'
Hongaarse studenten lezen Multatuli's Max Havelaar voortaan anders. Krijgsheer John Churchill had last van Hollandse bemoeials. Buitenlandse bezoekers zagen 'vieze gewoonten' bij dezelfde Hollanders....
Monica Soeting 16 september 2002, 13:54
'De Max Havelaar', schrijft Judith Gera in Van een afstand (Veen; fl 19,90), 'is een van mijn lievelingsboeken uit de wereldliteratuur. Het is verplicht leesmateriaal voor Hongaarse studenten Nederlands op de universiteit, en het is elke keer een succes. Het wordt enthousiast gelezen, herlezen en er wordt over nagedacht. Men kan een heel semester bezig zijn met dit boek.'Omdat Max Havelaar zo vaak bestudeerd kan worden, zegt Gera, hoogleraar Nederlands in Boedapest, is het merkwaardig dat het in Nederland maar op een bepaalde manier wordt gelezen. Max Havelaar, zal iedere Nederlander zeggen, is een antikoloniale roman.Gera is het daar niet mee eens. Leg de traditionele interpretatie naast je neer, zegt ze, en lees het boek met een andere blik. Dan zie je dat Multatuli, ondanks zijn kritiek op de manier waarop de Nederlanders de Indiërs behandelden, nooit aan de rechtmatigheid van het Nederlandse gezag in Indië heeft getwijfeld.Hoe kun je Max Havelaar anders lezen? Door te letten op de manier waarop Multatuli over de verhouding tussen Nederlanders en Indiërs schrijft, bijvoorbeeld. De Nederlandse personages hebben ieder een eigen stem, terwijl over de Indiërs alleen maar gesproken of gedacht wordt. Zelf komen ze niet aan het woord. Bovendien bevestigt Multatuli voortdurend het beeld van de kolonisator als welmenende vader. De Indiërs portretteert hij als onschuldige, domme kinderen die zich naar de beterwetende vader moeten voegen. Max Havelaar praat bijvoorbeeld voortdurend over kinderen die hun liefde tot de vader willen uiten, of over de vaderlijke zorg van de Nederlandse regenten.Multatuli maakt zich, kortom, schuldig aan wat de cultuurfilosoof Edward Said het 'oriëntalisme' noemt. Hij construeert een beeld van het oosten als een gebied dat alleen de westerse mens kon cultiveren.Niet toevallig, voegt Gera daaraan toe, werd het oosten als vrouw afgebeeld: vrouwen werden immers net als vreemde volken als 'de ander' beschouwd. Als 'de ander' bevestigden zij het positieve beeld van de witte man. De ander was van nature dienend, zodat de Europese man kon heersen. De ander was onmondig, zodat de man kon beslissen. Ook in Max Havelaar is dat beeld van de ander terug te vinden.Wat levert deze herlezing opt 'Een postkoloniale en feministische lezing toont niet slechts de macht van de taal, maar ook de macht van de canon, en laat de ambivalentie van het boek zien', concludeert Gera. Het laat de briljante structuur van de Max Havelaar intact, maar de geur van heiligheid die er omheen hangt, verdwijnt. En daarvan is nog nooit een boek slechter geworden.
Het wederzijds huwelijksbedrog
Auteur:Pieter Langendijk (Haarlem, 25 juli 1683 – aldaar, 9 of 18 juli 1756) was een Nederlands toneelschrijver en dichter. Hij is de bekendste Nederlandse toneelschrijver uit de 18e eeuw, die in de geschiedenis van de Nederlandse literatuur verder weinig schrijvers die nog steeds bekend zijn, heeft voortgebracht.
Informatie:In deze komedie ontmoet Lodewijk de erg rijk uitziende Charlotte. Lodewijk is een aristocraat, die grote financiële moeilijkheden heeft. Hij doet zich voor als een rijke Poolse graaf. Ook Charlotte komt uit de verarmde aristocratie, en ook zij doet alsof ze tot de betere stand behoort. Charlotte heeft nog één meid, Klaar. Lodewijk heeft een vriend, Jan. Jan is eigenlijk een gedeserteerd soldaat, maar tegenover de familie van Charlotte doet hij zich voor als een baron. Samen met Lodewijk verdient hij zijn geld door kansspelen. Lodewijk denkt dat hij, door te trouwen met Charlotte, weer een leven naar behoren zou kunnen leiden. Ook Charlotte denkt dat door te trouwen met Lodewijk zij er weer bovenop kan komen. Beiden denken dus onterecht dat zij door het huwelijk rijk zullen worden en zo weer een leven op stand kunnen leiden. Dit 'wederzijdse huwelijksbedrog' komt aan het licht wanneer Karel, de broer van Charlotte, op het toneel verschijnt. Hij ontmaskert iedereen. Het boek eindigt met het stranden van het huwelijk van Jan en Klaar. Klaar wil vervolgens met Hans trouwen, maar Hans kiest voor zijn trots en wijst haar af. Charlotte en Lodewijk, die uiteindelijk toch echt verliefd blijken te zijn, gaan alsnog trouwen, hoewel Lodewijk eerst gaat werken om geld te sparen.
Productinformatie:Auteur: Pieter Langendijk
Taal: Nederlands
Gewicht: 172,00 gram
Product breedte: 115 mm
Product hoogte: 10 mm
Product lengte: 185 mm
Samenvatting:Lodewijk, een arme edelman, keert samen met Jan, een verlopen soldaat, terug naar zijn geboortestad Utrecht om zijn familie te zoeken. Lodewijk heeft op de Maliebaan een meisje gezien, waarop hij verliefd is geworden. Hij wil zich voordoen als een rijke graaf en zijn vriend wordt baron. Ze logeren in een herberg, die tegenover het huis van Charlotte, het meisje, staat. Zij heeft ook stiekem een oogje op Lodewijk. Ondertussen krijgt de familie van Charlotte een brief, dat Charlottes broer Karel naar huis zal terugkeren om zijn vrouw voor te stellen.
Ze zijn van plan om te trouwen, maar Charlotte is eigenlijk ook maar arm en Lodewijk en Charlotte weten dus niet van elkaar dat ze arm zijn. Zo worden hele scènes opgevoerd om maar te laten zien hoe rijk ze zijn en Klaar, de dienstmeid verleid de ‘baron’. Dan komt Karel thuis. Hij is zijn vrouw vooruit gereisd om te zien hoe de situatie thuis is. Konstance (moeder van Charlotte) en Karel gaan dan Sofy (vrouw van Karel) ophalen. Klaar en Charlotte blijven thuis. Ondertussen komt Jan ook nog. Als Karel en Konstance dan terugkomen, ziet Karel Jan en hij herkent hem als een van zijn gedeserteerde soldaten, die er zes maanden geleden met zijn beste paard vandoor ging. Jan wordt dan opgesloten en als Lodewijk langskomt moet ook hij alles bekennen. Hij vertelt zijn echte naam, Lodewijk van Kaalenhuizen, en hij blijkt een broer van Sofy te zijn. Dan komt ook uit dat Charlotte en Konstance ook arm zijn. Dat had Karel niet aan zijn vrouw verteld en het blijkt dus dat iedereen iedereen voorgelogen had. Jan wordt vrijgelaten en Karel is kapitein, dus die kan Lodewijk wel aan een officiersplaats helpen, zodat hij later met Charlotte kan trouwen.
Jan gaat dan met geld van Karel naar de herberg om te betalen, maar hij gaat er met het geld vandoor.
Recensie:Er zijn geen recensies te vinden over dit boek, dit komt doordat in de tijd dat het boek gepubliceerd werd er geen recensies geschreven werden. Ook worden er geen recensies geschreven over boeken die meer dan een eeuw geleden geschreven zijn.
Pauls ontwaken
Auteur:Frederik Willem van Eeden (Haarlem, 3 april 1860 – Bussum, 16 juni 1932) was een Nederlandse psychiater, schrijver, meest bekend van zijn romans De kleine Johannes (1887) en Van de koele meren des doods (1900). Als wereldverbeteraar hield hij zich diepgaand bezig met taal- en begripskritiek.
Informatie:De eerste druk verscheen enige maanden na het overlijden van Van Eeden's zoon Paul. De vader schreef het boekje ter pieteitvolle nagedachtenis van zijn geliefde kind. Maar zijn hoofddoel was "te doen begrijpen, dat het volstrekt niet onverschillig is hoe wij sterven" (pag. 41). Nu heeft het fijnzinnige boekje niets van zijn waarde ingeboet. De aangrijpendste bladzijden (55-61) beginnen met: "Donderdagavond begon de agonie..." Daarin komt de prachtige verbinding tot stand van superieure vertelkunst, wetenschappelijke observatie, dichterlijke ontvankelijkheid en vaderlijke liefde. Ook actuele problemen als euthanasie krijgen dan reeds een verrassende belichting.
Productinformatie:Auteur: Frederik van Eeden
Taal: Nederlands
Uitgegeven: 1923
Samenvatting:Het verhaal begint bij de vroege kinderjaren van Paul, de zoon van de hoofdpersoon. Paul is vanaf zijn geboorte al een bijzonder geval, hij is een echte dromer, hij leeft als het ware in zijn eigen wereldje.
Hij is absoluut niet geïnteresseerd in school en zijn vader merkt op dat hij daar weinig vrienden maakt. Paul legt namelijk erg moeilijk contact met andere mensen, ze vinden hem raar en willen niets met hem te maken hebben. Paul is dan ook helemaal niet geïnteresseerd in mensen, het liefst is hij de hele dag bezig met dieren en planten. Het lijkt of deze wezens hem beter begrijpen dan wie dan ook. Zijn vader ziet toe hoe Paul als klein jongetje met een dode vlo huilend naar hem toe kwam terwijl de vlo hem uren had getergd. Zelfs het plukken van een bloem is moeilijk voor Paul omdat hij weet namelijk dat hij de bloem hier pijn mee doet.
Ook weet Paul op jonge leeftijd dat er niet iets is als een God, maar dat alles in de natuur uit energieën bestaat. Hij weet ook al vroeg op welke leeftijd hij zal sterven. Hij zegt dat dat op zijn vierentwintigste zal gebeuren. Zijn vader vindt dit erg merkwaardig maar besteed verder weinig aandacht aan deze opmerkingen.
In de puberteit blijkt Paul toch behoorlijk wreed te kunnen zijn, hij kan plotseling erg agressief worden tegenover mensen of dieren als iets hem niet zint. Zijn vader is hierdoor geshockeerd en verbaast, hoe kan zo’n zachtaardig en rustig persoontje als zijn zoon tot zoiets in staat zijn? Hij concludeert hieruit dat liefde en haat erg dicht bij elkaar kunnen liggen.
Als hij net in de twintig is wordt Paul ongeneselijk ziek, hij heeft tuberculose; een soort tumor waardoor de persoon langzaam afzwakt en daardoor uiteindelijk sterft. Hij komt in het ziekenhuis terecht waar hij langzaam wegkwijnt, zijn lichaamsfuncties worden steeds minder. Zijn ouders komen vaak op bezoek maar voelen zich hulpeloos en lijken hem maar niet te begrijpen. Paul zou namelijk met de juiste medicijnen een kans hebben te genezen, dit wil hij echter niet. Hij vindt dat zijn ziekte en sterven zijn voorbestemd, hij moet er dus iets van leren anders had hij de ziekte nooit gehad.
Helaas krijgt Paul uiteindelijk toch gelijk, hij sterft op z’n vierentwintigste aan tuberculose. Het laatste moment op zijn sterfbed is erg ontroerend. Zijn lichaam is namelijk al zover afgestorven dat hij zichzelf bijna niet meer kan bewegen, maar hij lijkt het te accepteren en wil onder geen beding medicijnen of operaties ondergaan. Zijn vader is erg verbaasd maar ook onder de indruk en verteld hem op zijn sterfbed dat hij verder is dan zijn eigen vader. Hij sterft vroeg in de ochtend en vlak voordat dit gebeurt springt hij, zo zwak als hij is, overeind en reikt naar boven alsof hij iets uit de lucht wil grijpen. Daarna zakt hij dood in elkaar.
Direct na zijn sterven gaan zijn ouders wandelen in het park vlakbij het ziekenhuis en praten over Paul en wat er verder gebeuren moet. Van Eeden verteld over de begrafenis en met wat voor ogen hij nu naar zijn zoon kijkt. Hij heeft veel van Paul geleerd.
Recensie:Er zijn geen recensies te vinden over dit boek, dit komt doordat in de tijd dat het boek gepubliceerd werd er geen recensies geschreven werden. Ook worden er geen recensies geschreven over boeken die meer dan een eeuw geleden geschreven zijn.
Taal: Nederlands
Uitgegeven: 1923
Bint
Auteur:Ferdinand Bordewijk (Amsterdam, 10 oktober 1884 – Den Haag, 28 april 1965), auteursnaam F. Bordewijk, was een Nederlandse schrijver van romans, novellen, toneel, prozagedichten, parodieën, grafredes en kritieken. Zijn beroep was advocaat. Hij is vooral bekend van het trio korte werken Blokken (1931), Knorrende beesten (1933) en Bint (1934), en van de roman Karakter (1938), welke laatste in 1997 door Mike van Diem verfilmd werd. Hij ontving in 1953 de P.C. Hooft-prijs voor twee werken: de novellenbundel Studiën in volksstructuur (1951) en de roman De doopvont (1952). De Vijverbergprijs van de Jan Campertstichting werd in 1979 omgedoopt tot Bordewijkprijs. Zelf vond Bordewijk de roman Noorderlicht (1948) zijn beste boek. F. Bordewijk geldt met Simon Vestdijk als de belangrijkste Nederlandse prozaïst van zijn generatie.
Informatie:Bint is een roman van F. Bordewijk, uitgebracht in 1934. In de roman staat de verhouding tussen tucht en orde centraal.
Productinformatie:Auteur: Ferdinand Bordewijk
Taal: Nederlands
Gewicht: 227,00 gram
Product breedte: 130 mm
Product hoogte: 18 mm
Product lengte: 208 mm
Samenvatting:De Bree is een leraar Nederlands en gaat voor een jaar lesgeven op de school van Bint, die de directeur is van de school. Sinds vijf jaar heerst er op deze school een stalen tucht, omdat Bint denkt dat stalen tucht van mensen sterke persoonlijkheden maakt die zullen slagen in de maatschappij.
De Bree geeft les aan vier klassen, die hij de bruine klas, de grauwe klas, de bloemenklas en de hel heeft genoemd. De meeste lessen geeft hij aan klas 4D, de hel, de ergste klas van de hele school. Echter is deze klas de voorbeeldklas van Bint, omdat hij deze klas heeft samengesteld naar zijn eigen voorbeeld. De eerste les verklaart de Bree deze klas de oorlog, omdat de klas hem probeert te saboteren en hij hen wil laten zien wie de baas is. Hij doet dit door een groot aantal leerlingen een flinke tijd na te laten blijven. Het helpt tegelijkertijd de orde en de discipline in de klas te handhaven. De leerlingen luisteren nu naar zijn bevelen en werken hard om goede resultaten te halen. Dit is heel belangrijk, want het kerstrapport is gelijk de garantie voor de overgang, want een slecht rapport betekent van school gaan.
Van Beek, een leerling uit de grauwe klas, die het thuis heel moeilijk heeft, dreigt zelfmoord te plegen als hij blijft zitten. De leraren tonen geen begrip en besluiten tijdens de rapportvergaderingen hem toch een onvoldoende te geven, omdat ze geen onderscheid willen maken. Op zijn beurt pleegt Van Beek in de vakantie een zelfmoordpoging door in de gracht te springen. Hij overlijdt in het ziekenhuis aan een longontsteking.
Tengevolge hiervan breekt er op school een opstand uit onder de leerlingen. De opstand wordt onder leiding van De Bree neergeslagen door de leerlingen van klas 4D. De orde is hersteld en het incident met Van Beek wordt verder gewoonweg doodgezwegen. Dan is het tijd voor de jaarlijks georganiseerde fietstocht, waarbij de hel in tweeën wordt gesplitst. De Bree zou in eerste instantie niet meegaan, maar doordat de baby van leraar Remigius eerder geboren wordt, gaat De Bree toch met één helft van klas 4D op stap.
Als halverwege de tocht de leerling Te Wigchel veel moet hoesten en ziek dreigt te worden, besluit De Bree een kortere fietsroute te gaan volgen. De klas, die aan stalen tucht gewend is, heeft moeite met dit besluit, maar accepteert het besluit wel. Na een overnachting in een herberg zijn er plotseling twee leerlingen verdwenen. De Bree is woedend, maar kan dit gebeuren begrijpen als later blijkt dat deze twee leerlingen uit plichtsgevoel de oorspronkelijke route hebben gefietst.
Eenmaal terug op school besluit De Bree, mede door alle ervaringen van het afgelopen schooljaar, de school toch maar niet te verlaten, maar te blijven tot de school gesloten wordt. Na de grote schoolvakantie komt De Bree erachter dat Bint zijn ontslag genomen heeft en dus niet meer terugkomt op deze school.
Adjunct-directeur Donkers neemt dan de plaats van Bint in. De Bree echter kan dit alles allemaal niet bevatten. Hij zoekt Bint enkele malen thuis op, maar krijgt van zijn dochter te horen dat hij niet thuis is. De Bree komt er later pas achter dat Bint de dood van Van Beek niet heeft kunnen verwerken en daarom alle contacten heeft verbroken met alles en iedereen die wat met de school te maken heeft.
Ondertussen zijn alle leerlingen van de hel overgegaan en dat is nu examenklas 5C geworden, alleen is iedereen voor zijn gevoel een stuk volwassen geworden. Toch wil De Bree de strijdbijl niet begraven en blijft op voet van oorlog met deze klas.
Productinformatie:Auteur: Ferdinand Bordewijk
Recensie:Recensie 1
Archetype
In Nieuwegein werd een leraar opgesloten omdat hij een opstandige leerling aanpakte. Hoog tijd om slappe agenten en assertieve ouders de stalen tucht bij te brengen die heerst op de school in Bint, van Ferdinand Bordewijk.
ARJAN PETERS 18 november 2011, 00:00
'De tijd is voorbij van gemoedelijkheid, van verbroedering.' Op een winderige novemberochtend betreedt De Bree als de nieuwe leraar Nederlands de school van directeur Bint, die hem 'droog, rietmager en kaarsrecht' opwacht. 'Hij keek door een bril van bloed.' En vlak nadat hij De Bree heeft verteld dat diens voorganger door leerlingen is weggetreiterd, deelt hij hem in kort bestek zijn moderne lesopvatting mee: 'Er is snelle verwildering. Ik eis: een-stalen-tucht. Nu ga.'
Uit de novelle Bint van Ferdinand Bordewijk (1884-1965), auteur en advocaat, die in zijn jonge jaren les had gegeven aan de Handelshogeschool in Rotterdam, mogelijk de locatie die hem in 1934 inspireerde tot de school van Bint. De novelle bestaat uit zinnen als zweepslagen: koel, vlijmscherp, doeltreffend.
Jaren dertig. Nieuwe zakelijkheid. Afgelopen met de roaring twenties, en met docenten als Theo Thijssen, die zijn kinderen aaide en gezellig sigaren rookte.
Koudweg Bint dus, voornamen Eduard Oswald (E.O. Bint is een anagram van Benito, de voornaam van de Italiaanse dictator Mussolini), die de dreigende sluiting van de school wil voorkomen door er een regime van tucht en huiver in te hengsten.
Ook na 77 jaar is Bordewijks taal een sadistisch genoegen en krijg je sympathie voor De Bree, die het zootje van klas 4D ('de Hel') moet temmen, opdat hem niet hetzelfde lot wacht als zijn voorganger. Hoe ontzagwekkend zijn nog steeds de woorden van de directeur: 'Ik eis van de leraar dat hij zich niet inleeft in het kind, dat hij niet daalt. Ik eis van het kind dat het zich inleeft in de leraar, dat het klimt. Ik eis dat het zich inleeft in tien leraren. Ik eis dat het tienmaal gehoorzaamheid zal kennen, tienmaal tucht, dat het door tien volwassenen zal worden getuchtigd.'
Taal waar je voor buigt en bibbert. Die zal je leren.
Kom daar eens om in Nieuwegein. Een week geleden werd een 13-jarige snotaap van het Anna van Rijn College na een vechtpartij door een docent de gang op gestuurd, de adjunct-directeur moest eraan te pas komen. Wat gebeurt? Die jongen belt zijn stiefvader, die de politie, en die neemt de adjunct mee naar het bureau om hem daar een paar uur vast te houden!
Van de gekke, reageerde een woordvoerder van de school. Maar dit zijn geen tijden meer voor Klukkluk (indiaan uit de oude kinderserie Pipo, 'mij zijn zeer van de bange'). Onuitstaanbaar assertieve ouders en slappe agenten moet Tucht bijgebracht worden: dan gaan de leerlingen hun leraren weer gehoorzamen. De politie moet het gezag steunen. Wat krijgen we nou.
Bint moet terug, met zijn bril van bloed en stalen opvattingen. Als het oorlog is, hebben we een despoot nodig. Niet leuk, maar bandeloosheid is erger.
Stil in de klas. Zeven nablijvers. 'De Bree liet een half uur niets doen, toen overschrijven uit het boek. Hij had geen lust zich in te spannen. Hij gaf expres geestdodend werk.'
Stel Bint verplicht, waar het maar kan. Deel het boek uit, overal. Voordat het te laat is.
Verder zijn er geen kwaliteit recensies te vinden voor dit boek, dit komt doordat in de tijd dat het boek gepubliceerd werd er geen recensies geschreven werden. Ook worden er geen recensies geschreven over boeken die meer dan een eeuw geleden geschreven zijn.
Uit de novelle Bint van Ferdinand Bordewijk (1884-1965), auteur en advocaat, die in zijn jonge jaren les had gegeven aan de Handelshogeschool in Rotterdam, mogelijk de locatie die hem in 1934 inspireerde tot de school van Bint. De novelle bestaat uit zinnen als zweepslagen: koel, vlijmscherp, doeltreffend.
Jaren dertig. Nieuwe zakelijkheid. Afgelopen met de roaring twenties, en met docenten als Theo Thijssen, die zijn kinderen aaide en gezellig sigaren rookte.
Koudweg Bint dus, voornamen Eduard Oswald (E.O. Bint is een anagram van Benito, de voornaam van de Italiaanse dictator Mussolini), die de dreigende sluiting van de school wil voorkomen door er een regime van tucht en huiver in te hengsten.
Ook na 77 jaar is Bordewijks taal een sadistisch genoegen en krijg je sympathie voor De Bree, die het zootje van klas 4D ('de Hel') moet temmen, opdat hem niet hetzelfde lot wacht als zijn voorganger. Hoe ontzagwekkend zijn nog steeds de woorden van de directeur: 'Ik eis van de leraar dat hij zich niet inleeft in het kind, dat hij niet daalt. Ik eis van het kind dat het zich inleeft in de leraar, dat het klimt. Ik eis dat het zich inleeft in tien leraren. Ik eis dat het tienmaal gehoorzaamheid zal kennen, tienmaal tucht, dat het door tien volwassenen zal worden getuchtigd.'
Taal waar je voor buigt en bibbert. Die zal je leren.
Kom daar eens om in Nieuwegein. Een week geleden werd een 13-jarige snotaap van het Anna van Rijn College na een vechtpartij door een docent de gang op gestuurd, de adjunct-directeur moest eraan te pas komen. Wat gebeurt? Die jongen belt zijn stiefvader, die de politie, en die neemt de adjunct mee naar het bureau om hem daar een paar uur vast te houden!
Van de gekke, reageerde een woordvoerder van de school. Maar dit zijn geen tijden meer voor Klukkluk (indiaan uit de oude kinderserie Pipo, 'mij zijn zeer van de bange'). Onuitstaanbaar assertieve ouders en slappe agenten moet Tucht bijgebracht worden: dan gaan de leerlingen hun leraren weer gehoorzamen. De politie moet het gezag steunen. Wat krijgen we nou.
Bint moet terug, met zijn bril van bloed en stalen opvattingen. Als het oorlog is, hebben we een despoot nodig. Niet leuk, maar bandeloosheid is erger.
Stil in de klas. Zeven nablijvers. 'De Bree liet een half uur niets doen, toen overschrijven uit het boek. Hij had geen lust zich in te spannen. Hij gaf expres geestdodend werk.'
Stel Bint verplicht, waar het maar kan. Deel het boek uit, overal. Voordat het te laat is.
Oeroeg
Auteur:Hélène Serafia (Hella) Haasse (Batavia, 2 februari 1918 – Amsterdam, 29 september 2011) was een Nederlandse schrijfster, met als bekende titels onder andere Oeroeg (novelle, 1948), Het woud der verwachting (roman, 1949) en Heren van de Thee (roman, 1992). In 1983 werd haar de P.C. Hooft-prijs toegekend en in 2004 de Prijs der Nederlandse Letteren. Zij was een van de eerste Nederlandse schrijvers die hun werk in het buitenland actief onder de aandacht brachten en behoort tot de in het buitenland meest gelezen Nederlandse schrijvers.
Informatie:Oeroeg is een roman van de Nederlandse schrijfster Hella S. Haasse. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1948 en was het debuut van Haasse. Oeroeg speelt in Nederlands-Indië. Het boek gaat over een Hollandse jongen (de naam van de hoofdpersoon wordt in het boek niet vermeld), zoon van de administrateur van een theeplantage, die als allerbeste vriend een inlander, Oeroeg genaamd, heeft. In het boek spelen de ontwikkelingen van beiden en het verloop van hun vriendschap een grote rol. Als de ik-figuur na een kort verblijf bij zijn moeder in Nice en een studie in Delft terugkeert in Nederlands-Indië tijdens de politionele acties, gaat hij op zoek naar herinneringen aan zijn jongensjaren die hij beleefde met Oeroeg.
Productinformatie:Auteur: Hella S. Haasse
Taal: Nederlands
Genre: Tendensroman
Uitgever: Querido
Uitgegeven: 1948
Pagina's: 128
Samenvatting:De ik-figuur en Oeroeg zijn beste vrienden. Oeroeg is de zoon van Sidris en Deppoh. Zijn vader werkt bij de onderneming van de Nederlandse administrateur, de vader van de ik-figuur. De jongens doen alles samen, van jongs af aan. Waar Oeroeg is, is de Nederlandse jongen, en andersom. De ik-figuur heeft tijdens zijn kindertijd niet door dat Oeroeg in rang lager staat dan hij. Dat merkt hij pas als het personeel Oeroeg een beetje gaat plagen en als hij door krijgt dat zijn vader liever niet wil dat hij met Oeroeg omgaat. Toch is Oeroeg de belangrijkste persoon voor hem. Het is de vader van de ik-figuur een doorn in het oog dat hij zo slecht Nederlands spreekt. Daarom wordt meneer Bollinger ingehuurd om hem persoonlijk les te geven. Oeroeg luister altijd mee en pikt er veel van op.
Op een avond gaan Oeroegs ouders, Bollinger en nog wat gasten naar Telage Hideung, het Zwarte Meer. De ik-figuur mag mee. De groep is aangeschoten en wild. Ze varen met een vlot het meer over, maar een stuk vlot breekt af. De ik-figuur raakt verstrikt en Deppoh probeert hem te redden maar hierdoor verdrinkt hij zelf. De vader van Oeroeg is dood. Hierdoor moet de familie van Oeroeg verhuizen. Maar omdat de ik-figuur zo gehecht is aan Oeroeg, mag hij blijven. Ze reizen samen elke dag naar school, echter wel voor elk een andere school in Soekaboemi.
De ouders van de ik-figuur scheiden en hierdoor komt hij bij Lida in Soekaboemi te wonen. Als blijkt dat hij Oeroeg heel erg mist, mag hij er ook komen wonen. Lida raakt heel erg op Oeroeg gesteld en geeft hem alles wat hij nodig heeft. Ze ziet namelijk dat hij erg slim is en ze wil hem de kans geven te studeren. Oeroeg laat zo min mogelijk merken dat hij een inlander is en schaamt zich voor zijn afkomst. De ik-figuur gaat naar een internaat van de HBS in Batavia. Later komt Oeroeg daar ook terecht omdat hij wel wat structuur kan gebruiken. Hij misbruikt Lida’s goedheid nogal door ’s avonds laat weg te blijven en naar bed te gaan met andere huurders uit Lida’s pension. Op het internaat groeien de jongens nog verder uit elkaar doordat Oeroeg toch echt een inlander is en de andere jongens dat niet accepteren. Oeroeg gaat naar de MULO waar voornamelijk halfbloedkinderen zitten. Hier voelt hij zich beter thuis. Na de MULO gaat Oeroeg medicijnen studeren in Soerabaja. Lida betaalt ondertussen alle kosten van Oeroegs opleiding. Tijdens zijn studie krijgt hij interesse in de politiek en keert Oeroeg zich tegen de Nederlanders, en dus ook tegen de ik-figuur. Als die hem eens opzoekt krijgen ze ruzie.
De ik-figuur gaat studeren in Delft. Sporadisch contact hebben alleen hij en Lida nog, eerst nog weleens met een korte krabbel van Oeroeg maar steeds minder. Als de ik-figuur klaar is met zijn opleiding, keert hij terug naar zijn geboortegrond - maar alles is anders geworden.
Recensie:Recensie 1
Oeroeg als universeel verhaal van vervreemding tussen vrienden
Kester Freriks
23 november 2015
Oeroeg Van Hella Haasse door Bos Theaterproducties en Matzer Theaterproducties. Tournee t/m 14/2. Inl: bostheaterproducties.nl
„Ga weg. Jullie horen hier niet thuis”: de woorden klinken met dreigende echo door het theater. Acteur Leopold Witte zet de slotpassage van de novelle Oeroeg (1948) van Hella Haasse fel aan. Medespeler Helge Slikker treedt vooral op als muzikant die met rauw gitaarspel en zang de toneelversie begeleidt, bewerkt door Madeleine Matzer en geregisseerd door Michiel de Regt. Deze Oeroeg is muziektheater.
Indische sferen, exotische geluiden zijn ver weg in deze bewogen vertolking. Over een witte achterwand vliegt een uil voorbij, stroomt lava voort en zien we tegen het einde filmbeelden van de Indonesische vrijheidsstrijders. Oeroeg en de vertellende ik-figuur leven aanvankelijk als hechte vrienden, toch groeien ze uiteen. Met prachtige dictie verhaalt Witte over zijn vanzelfsprekende verbondenheid met het land, maar door politieke veranderingen moet hij inzien dat hij er als Nederlands kind niet thuishoort. Dit drama van ontworteling draagt de voorstelling. Het muzikale aandeel van Slikker is eerder Amerikaanse roadmovie te noemen, dan op enige wijze Indisch. Ook de kostumering is wars van de Nederlands-Indische tijd. Voor buitenstaanders en toeschouwers met Indisch heimwee zal de voorstelling niet even aansprekend of toegankelijk zijn, maar dat neemt niet weg dat regisseur en spelers met moed en verve een nieuwe weg hebben gevonden in de Indische traditie.
Niet nostalgisch, maar hedendaags, gedurfd. Het drama van ergens niet thuishoren krijgt in de taal van Haasse en Witte beklemmend gestalte. Het is interessant deze visie te vergelijken met de recente regie van Ivo van Hove van Couperus’ roman De stille kracht (1900). Waar Van Hove grootse, herkenbaar Indische middelen inzet om de ondergang van de westerling in het hem uiteindelijke vreemde oosten tastbaar te maken, kiest De Regt on-Indische stijlvormen. Hij haalt Oeroeg weg uit de Indonesische wereld en geeft de vervreemding tussen de vrienden een universele betekenis. Het zijn tot slot Oeroegs woorden die opklinken. Luisterend naar de vertellende trant van Witte groeit de bewondering voor de moed die óók Haasse in 1948 had om deze novelle te schrijven.
Recensie 2
Oeroeg en het bekende schrijversprobleem
Samen met Willem Nijholt en Philip Freriks naar Indonesië? De organisatie is in handen van Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek....
Christjan Knijff 22 oktober 2009, 00:00
Volgens HP/De Tijd vinden de vijf ondervraagde studenten de film spannender. Al ‘zeggen ze het niet met zoveel woorden’. In De Groene wordt duidelijk waarom. Aan het aantal woorden ligt het niet. ‘Het toenemende hartstochtelijke betoog van de student raakt inmiddels doorspekt met immer herkenbare termen als kapitalistisch en revolutionair. Even pauze, opdat de tolk ons kan inlichten. Droogjes spreekt hij in de microfoon: It’s a very interesting book.’Het antwoord laat dus nog even op zich wachten. Gelukkig duurt de CPNB-campagne een maand om ‘mensen met elkaar in discussie te laten gaan over hetzelfde boek’. In HP/De Tijd komt nog een zwaargewicht uit de Nederlandse literatuur ter sprake, in een interview met volkszanger Dries Roelvink. Over zijn ‘huidige gemoedstoestand’: ‘Ik heb Harry Mulisch, toch de maestro, laatst een stukje uit mijn autobiografie laten lezen. Hij zei: ‘Niets meer aan doen.’ Daar word ik blij van.’Ook om blij van te worden is de rubriek Huwelijk in Elsevier. Deze keer staan Kirsten Toeset (30) en Bas Wegener (35) in de schijnwerpers. Het bruidspaar heeft elkaar leren kennen op Nyenrode. ‘Na nachtenlang praten en wijn drinken, kregen ze een relatie.’ Zo kan het dus ook.Terug naar literatuur. Vrij Nederland verdiept zich in het ‘bekende schrijversprobleem’ van Dimitri Verhulst, auteur van De helaasheid der dingen. Hij was niet aanwezig bij de première van de verfilming, omdat hij vreesde dat de film de verzuurde relaties met zijn familie weer zou doen oprakelen.A.F.Th. van der Heijden geeft advies. ‘Als je je dat soort dingen gaat aantrekken, moet je maar sciencefiction gaan schrijven. En dan nog zul je zien dat een achterneefje dat een beetje groen is uitgevallen, zich gaat beklagen dat hij als een marsmannetje is neergezet.’ Volgens Maarten ’t Hart kan een schrijver het nooit goed doen. ‘Het meest ontevreden zijn de personages die het gevoel hebben dat zij uit de roman zijn weggelaten terwijl ze wel een rol hebben gespeeld in de gebeurtenissen die je in de roman beschrijft.’Schrijft dan helemaal niemand deze week over DSB? Jawel, hoor. Joeri Boom en Mathijs Bouman (De Groene), Marike Stellinga en Philip Willems (Elsevier), Jan Dijkgraaf en Bart de Koning (HP/De Tijd), Auke Kok en Micha Wertheim (Vrij Nederland). Om er maar een paar te noemen.
Oeroeg en het bekende schrijversprobleem
Nathan Sid
Auteur:Adriaan van Dis (Bergen (NH), 16 december 1946) is een Nederlandse auteur, journalist en televisiepresentator, die in 1983 als schrijver debuteerde met de novelle Nathan Sid.
Informatie:Nathan Sid is het verhaal van een jongen die opgroeit tussen twee culturen: het na-oorlogse Nederland waarin hij geboren wordt en het vooroorlogse Indië waarin hij werd verwekt. Tussen zijn familieleden voelt Nathan zich een buitenstaander: zijn vader, ex-KNIL-militair, moeder en stiefzusjes hebben de oorlog in een Japans krijgsgevangenkamp meegemaakt: in hun leed kan hij niet delen. Nathan’s zusjes zijn bruin, maar hijzelf is wit. Vader Sid lijdt aan een oorlogstrauma en voedt zijn zoon op met harde hand én liniaal. De relatie tussen Nathan en zijn vader is het belangrijkste onderwerp van de novelle. Nathan Sid is een boek over de verhoudingen tussen eerste en tweede generatie Indische Nederlanders en over de moeilijkheden die beide generaties in hun nieuwe vaderland ondervinden. Hiermee raakt het aan actuele thema’s over afkomst en identiteit, discriminatie en integratie – waar hoor ik bij en in welk land hoor ik thuis?
Productinformatie:Auteur: Adriaan van Dis
Taal: Nederlands
Gewicht: 121,00 gram
Product breedte: 124 mm
Product hoogte: 7 mm
Product lengte: 200 mm
Samenvatting:Nathan Sid woont in een groot huis, in dit huis zitten nog 4 andere families, ze zijn allen afkomstig uit Indonesië.
Er hangt een erg Indische sfeer, het ruikt naar Indisch eten en er hangen veel Indische dingen. Nathan drinkt veel karnemelk, omdat hij veel last heeft van pukkels en uitslag op zijn huid en karnemelk heeft als werking dat het bloedzuiverend werkt. Ook gaat hij vaak met zijn moeder naar een gebedsgenezer, maar Nathan wordt daar nerveus van en hij krijgt nog meer uitslag en pukkels. Het Indische eten thuis kan Nathan nooit verdragen, dus eet hij altijd iets anders. Zijn vader sloeg hem vaak, hij sloeg Nathan als er hem iets niet zinde. Als Nathan naar school gaat, kocht hij drop van het geld dat bedoeld was voor karnemelk. Zijn vader kreeg dit door, en verbood Nathan om nog in de snoepwinkel te komen. Nathan denkt ik word vegetariër, dit heeft weer een ruzie aan tafel tot gevolg. Nu gaat hij ook vaker naar mevrouw Tengbergen, zij is ook vegetariër. Nathan heeft ook vaak ruzie met zijn zussen, al die ruzies komen omdat Nathan in Nederland is geboren en niet zoals zijn zussen in Indonesië, dus hij heeft niet hetzelfde meegemaakt zoals de rest van de familie in Indonesië geleefd hebben, hij voelt zich een buitenstaander.
Er zijn verkiezingen in aantocht, Nathans vader kon zich hier echt boos over maken, omdat de socialisten niet het KNIL-salaris willen uitbetalen van de oorlog in Indië. Oom Nathan is ook een socialist, Nathan voelt zich tot zijn oom aangetrokken, omdat hij een vrij en los gedrag heeft. Nathan wil graag blokfluit spelen, vader koopt een blokfluit voor Nathan, hij koopt het in ruil voor een ring, maar onder 1 voorwaarde elke dag oefenen.
Nathans ouders zijn niet rijk, maar zijn vader wil er wel een goed en vrij deftig leven op na houden, terwijl ze arm zijn. Nathan stelt zichzelf vragen naar aanleiding van een boek. Hij vraagt zichzelf af of hij een wees is? En of dit wel zijn eigen ouders zijn? Op een dag sterft Nathans vader, vanwege zijn slechte en zwakke hart. Nathan mocht niet naar de begrafenis dat vond zijn moeder te eng. Zijn moeder vertelt nu, dat zijn vader vroeger veel is geslagen en weinig liefde van zijn ouders kreeg. Dit maakt indruk op Nathan. Hij moet er nu zelf voor zorgen om zijn slechte eigenschappen de baas te worden, want hij wil niet zo zijn als zijn vader. Hij vraagt zich zelf af: hoe moet ik dit doen?
Recensie:Recensie 1
Alleen in de fantasie is het kwaad draaglijk
− 18/09/99, 00:00
recensie Er is alles aan gedaan om 'Dubbelliefde', het nieuwe boek van Adriaan van Dis, uit de sfeer van het autobiografische te halen. De ondertitel luidt zeer algemeen en onbepaald: 'Geschiedenis van een jongeman' en ook de genre-aanduiding ontbreekt niet: 'roman'. Louis Couperus, ten slotte, mag in een motto uitleggen dat een roman nooit en te nimmer een autobiografie kan zijn, ongeveer de reactie van Connie Palmen op critici van haar 'I.M.' die het autobiografische karakter ervan voetstoots aannamen.
Van Dis neemt, waarschijnlijk uit voorzorg, als motto een mooi citaat uit Couperus' roman 'Metamorfoze': ,,En al zoû ik nu eens schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was; al zoû ik dien held laten schrijven werken, die verwant aan de mijne waren, de held zoû ik niet zijn, zijn kunst niet de mijne: en de roman zoû een roman zijn, niet dan een roman, en zich nooit realizeeren tot autobiografie.'
Deze gedachtegang is typisch die van de schrijver, die weet hoezeer hij de werkelijkheid vervormt en omvormt door taal en verbeelding. De lezers zullen, als zij iets herkennen of menen te herkennen dat in verband staat met het leven van de schrijver, toch de voorkeur geven aan een simpele, autobiografische lezing. Palmen hielp hen nog een handje door haar protagonisten eenvoudigweg 'Connie' en 'Ischa' te noemen; Van Dis' alter ego heet 'Tony', zonder achternaam.
Deze Tony is een jongeman die zich, met gebruikmaking van de royale garderobe van zijn gehate, overleden vader, als multipele persoonlijkheid voordoet. Alleen verkleed kan hij iemand zijn. Het is dan ook begrijpelijk dat hij zich na zijn middelbare schooltijd aanmeldt bij de Amsterdamse Toneelschool. Maar zijn toneelopvattingen stroken niet met die van de school en hij vertrekt eigener beweging.
De twee dichters die Tony bewondert, symboliseren op volmaakte wijze de tegenstellingen, waartussen hij zich beweegt: het zijn Rilke en Baudelaire. De eerste is de dichter van het verhevene, de schoonheid van de roos, de tweede is de dichter van het lage, de zelfkant, de schoonheid van het kwaad.
Die tweedeling voert in de roman op talloze plaatsen de boventoon en wordt tot vervelens toe benadrukt. De Tony die 's nachts op stap gaat, is een andere dan de dagmens en hij krijgt in de roman dan ook een andere naam: hij heet 'Nachtman' en bezoekt homobars op de Wallen, dark rooms, gaat met travestieten mee, prostitueert zich (m/v), en leeft voor de lust, maar altijd na zijn homoseksuele avonturen moet hij nog even langs bij een vrouwelijke hoer.
De gehele roman door speelt het thema van de seksuele identiteit en al vroeg realiseert Tony zich dat hij zowel het vermogen heeft de rol van hetero als die van homo te spelen. Hij beschouwt zijn optredens in seksueel opzicht ook daadwerkelijk als een rollenspel en voelt zich zowel man als vrouw.
Als Nachtman bestudeert hij het gedrag van de ,,jongens die mond en kont verkochten' op de brug bij het Singel. ,,Nachtman had alle tijd om te zien hoe ze het deden. . . hun lonken, de languissante gebaren, het gewapper met de losse pols en het wegwuiven van een ingebeelde haarlok - hij kon het allemaal spelen. Maar toen hij eindelijk voor een Volkswagen door de knieen ging, keek hij niet vals genoeg, te weinig brutaal. . . Het was een moeilijke rol: verveeld kijken met de spanning in zijn keel. Aardig doen en geen afgrijzen tonen. Hij kon verzinnen wat er van hem werd verwacht: met één hand een gulp openritsen, een halfstijve pik uit een onderbroek opdiepen en je mond tot een vurige hoepel tuiten. Hij wist het allemaal, hij was de grootste hoer van de gracht.'
Alle seksuele escapades in dit boek, van welke aard ook, zijn vreugdeloos en worden in het groot gerechtvaardigd door Tony's revolte tegen zijn (dode) vader en zijn verzet tegen zijn burgerlijke achtergrond: hij heeft een sterke behoefte te willen behoren bij ,,die in het donker' (titel van een roman van Jan Campert). Wel amusant, zij het nogal uitgesmeerd zijn z'n ontmoetingen met mensen uit dit milieu: een dronken lor, een vieze man, en verscheidene andere types.
,,Je moet het leven voelen, aan alle kanten' beweert Tony tegen zijn vriendin (die hij 's nachts op de Wallen bedriegt). Het is mogelijk dat hij op dat ogenblik al bedoelt dat je niet alles ook werkelijk echt hoeft meegemaakt te hebben, want dat een lucide verbeelding hem die ervaringen net zo goed kan bezorgen. Voor zijn vriendin spreekt hij zogenaamde interviews in (zij is journalist) en hij kiest dan voor spannende rollen, bijvoorbeeld die van crimineel, rover, moordenaar. ,,Ik hoefde me maar flink in te schenken en de ingebeelde levens dienden zich aan. De twee jaar dat ik in Amsterdam woonde had ik goed rondgekeken - ik kon stelen wie ik wou.'
Deze verhalen kondigen het voornemen al aan waarmee de roman eindigt. De vader van Tony's vriend is dan dood en begraven en deze gebeurtenis heeft heel het verleden opgerakeld (de roman is daar het resultaat van) en voor een definitief afscheid gezorgd niet alleen van de eigen vader, maar ook van ,,die jongen van vroeger met al zijn maskers en toneelkleren'. De oorlog met zijn vader - zo moet deze hele geschiedenis begrepen worden - is voorbij en als er nog rollen gespeeld moeten worden, dan niet in het echt, maar op het geduldige papier.
Het is, eerlijk is eerlijk, een beetje afgezaagd, dit slot: deze geboorte van een schrijver. De bewoording is er ook naar: ,,In mijn fantasie kan ik de schunnigste verlangens uitleven. En dat doe ik ook. . . alleen dan is het kwaad draaglijk, en de haat, de zelfhaat en de woede. Mijn fantasie is een tegenwicht voor de nacht geworden, er zit niks anders op, ook al blijf ik ernaar verlangen. Maar ik kan dat verlangen tot een kunst verheffen. . . tot een draaglijk gevaar. Draaglijke schoonheid.'
Misschien is deze passage wel bedoeld als de korte samenvatting van 'Dubbelliefde', maar ik betwijfel of zij voldoet. De stijl van Van Dis, die in 'Nathan Sid' en 'Zilver' uitermate gekunsteld was, is nu naar het andere uiterste doorgeslagen: meestal korte zinnen met weinig stilistische finesse. Het verhaal wordt meer verteld dan geschreven en dat is jammer voor wie aan stijl de hoogste prioriteit toekent. De verveling slaat op sommige momenten genadeloos toe, vooral wanneer de vader in het geding is (die Paardmans wordt genoemd door de zoon), maar ook wanneer scènes moedwillig, mogelijk om een humoristisch effect te sorteren, uitgerekt worden. De innerlijke monologen overtuigen me zelden.
Het probleem van dit soort schrijven is dat ook heel ingewikkelde kwesties zo gladjes verlopen, er is nergens sprake van wat iemand eens treffend ,,een bemoeilijkende vorm' heeft genoemd. Ik moest tijdens het lezen van 'Dubbelliefde' denken aan de roman 'Vrouwenzand' van Robert Anker, die er wel iets mee gemeen heeft. Maar wat een hemelsbreed verschil is er tussen die twee in aanpak en stijl! Anker bespeelt een groot aantal registers, hij rekent op een lezer die primair geniet van de vorm waarin hij het verhaal vertelt. Bij Van Dis lijkt het verhaal op de eerste plaats te staan, zijn Tony noemt zich ook een echte 'verteller', en dat verhaal moet zo weinig mogelijk in de weg gelegd worden.
Daar zijn zoals bekend veel lezers mee ingenomen, het succes van 'Indische duinen' heeft het ruimschoots bewezen. Ik lees graag iets dat meer van mij vraagt en dat probeert dieper door te dringen in een bepaalde thematiek. 'Dubbelliefde' is door de verschillende tegengestelde krachten die erin spelen (man-vrouw, homo-hetero, echt-rol, zoon-vader, burgerbestaan-zelfkant, en zo meer) een buitenkans voor een wat meer analytische en wat minder vertellende geest.
Wellicht waren de mogelijkheden tot introspectie en daarmee tot verdieping vergroot wanneer niet voor de eerste maar de derde persoon was gekozen. Wie zal het zeggen.
T. VAN DEEL
Recensie 2
| Nathan Sid Adriaan van Dis, 1983 |
| Nathan Sid is het verhaal van een jongen die opgroeit tussen twee culturen: het na-oorlogse Nederland waarin hij geboren wordt en het vooroorlogse Indië waarin hij werd verwekt. Tussen zijn familieleden voelt Nathan zich een buitenstaander: zijn vader, ex-KNIL-militair, moeder en stiefzusjes hebben de oorlog in een Japans krijgsgevangenkamp meegemaakt: in hun leed kan hij niet delen. Nathan’s zusjes zijn bruin, maar hijzelf is wit. Vader Sid lijdt aan een oorlogstrauma en voedt zijn zoon op met harde hand én liniaal. De relatie tussen Nathan en zijn vader is het belangrijkste onderwerp van de novelle. Nathan Sid is een boek over de verhoudingen tussen eerste en tweede generatie Indische Nederlanders en over de moeilijkheden die beide generaties in hun nieuwe vaderland ondervinden. Hiermee raakt het aan actuele thema’s over afkomst en identiteit, discriminatie en integratie – waar hoor ik bij en in welk land hoor ik thuis? De familie Sid leeft in een repatriantenhuis aan zee, met afgedankte meubelen, Rode Kruis-dekens, Indische mensen, Maleise woorden en Oosterse geuren. Adriaan van Dis (1946) groeide op in eenzelfde huis in Bergen aan Zee, met zijn drie Indische halfzusjes, vader, moeder en enkele andere repatriantenfamilies. Nathan Sid is gebaseerd op Van Dis’ eigen jeugdherinneringen. De novelle kwam voort uit een kookrubriek in NRC Handelsblad, waarin de auteur schreef over de maaltijden van vroeger: de Hollandse aardappels van zijn moeder versus de Indische rijsttafels van zijn vader. Deze krantencolumns werden tot een boek bewerkt, Nathan Sid werd het best verkochte debuut van 1984.
Nathan was er nooit geweest, maar wel gemaakt. Zijn zusters waren er geboren, net als zijn vader en veel van zijn ooms en tantes. Indië was overal in huis.
Zijn moeder wapperde het bed schoon met een sprietige sapu lidi en zei bulzak tegen de matras. Je lichaam was een body. Op de met batik afgedekte hutkoffer tegenover zijn bed speelde hij vaak met benen vogels, een opgezette slang, bambu fotolijstjes en Balinese vrouwenbustes die altijd glimlachen in glanshard hout. Nathans vader stond daar zwaaiend in een witte korte broek en de in de oorlog doodgeschoten vader van zijn zusters droeg een plusfour met verband om zijn kuiten, poeties noemde zijn moeder dat. Die andere vader leek op die foto’s veel bruiner dan de zijne. Op de schoorsteen lag een kris, versierd met plakjes Djokja-zilver. In de keuken hingen bolle koekepannen waar alleen Pa Sid mee bakte. Nathans moeder kookte Hollands, uit de torenhoog in elkaar passende aluminium pannetjes die zo heet werden dat je er gauw je vingers aan kon branden. Ze waren gesmolten uit neergestorte oorlogsvliegtuigen. Het Australische Rode Kruis had ze na de oorlog zelf aan zijn moeder gegeven, samen met de grijze dekens. Die vond Nathan ook zo dun. Maar zijn moeder zei dat je er blij mee moest zijn. Na de bevrijding had zij nog maar één broek, één koffer en een vals gebit van het slechte kampeten. Zelfs het tafelzilver moest zij in haar Sumatraanse tuin begraven achterlaten. Als Nathan groot was zou hij het opgraven. Alleen Pa Sid kon in Holland Indië tot leven geuren. Nathans moeder kookte altijd ‘gezond’ en at het liefst haar voor eeuwig ingezouten snijbonen. Maar als Pa Sid bakte rook het hele huis naar zoet en zout. Zijn rempèjèh klonterde zo dik al seen gestolde spons en zijn spekkoek telde zoveel dunne laagjes dat je een punt alleen maar dwars kon happen. ’s Zomers liet hij de rijst dagen zwellen tot een zoete kleffe pudding. Werd het satéoventje met staalwol opgepoetst, dan kwamen Pa Sids zusters met hun mannen. Tante Pop en tante Zus maakten altijd veel lawaai. Hun gouden armbanden klengelden tegen de houten stoelleuningen en hun rrr-en rolden harder dan Nathan ooit bij zijn vader had gehoord.
In latere romans en dichtbundels, waaronder Indische duinen (1994), Op oorlogspad in Japan (2000), Familieziek (2004), Totok I (1996) en Totok II (2008), herhaalde Van Dis de thematiek van zijn debuut: de tragiek van een door de oorlog getekende vader, het conflict tussen eerste en tweede generatie Indische migranten – een verscheurd repatriantengezin - en het verhaal van de buitenstaander die tussen twee werelden leeft, maar zich noodgedwongen moet aanpassen. De verzamelbundel De Indische boeken, met daarin een herziene versie van Nathan Sid, verscheen in 2002. |
Godverdomse dagen op een godverdomse bol
Auteur:Dimitri Verhulst (1972) werd geboren in Aalst. Hij wordt gezien als een van de grote schrijvers van de Lage Landen. Zijn werk verschijnt in meer dan twintig talen en werd bekroond met verschillende literaire prijzen.
Van de klassieker De helaasheid der dingen werden meer dan 200.000 exemplaren verkocht en het boek werd verfilmd en bekroond met de Gouden Uil Publieksprijs. Met Godverdomse dagen op een godverdomse bol won hij de Libris Literatuurprijs. Van De laatkomer werden binnen een paar maanden meer dan 75.000 exemplaren verkocht. Ook dit boek wordt verfilmd, voor toneel bewerkt en over de hele wereld vertaald.
In 2014 verscheen zijn roman Kaddisj voor een kut.
Verhulst is de schrijver van het Boekenweekgeschenk 2015.
Informatie:(Naar de Libris Literatuur Prijs)
‘’Dimitri Verhulst - Godverdomse dagen op een godverdomse bol
Op de tragikomische bestseller De helaasheid der dingen volgde de novelle Mevrouw Verona daalt de heuvel af, een ijzingwekkend verhaal over liefde en dood. Godverdomse dagen op een godverdomse bol is weer een totaal ander boek, dat alle verwachtingen weglacht. Een schrijver die zo veel verschillende boeken op rij aflevert, noem je op z'n minst een fenomeen.
Godverdomse dagen is geen klassieke roman. Dit is een van die boeken waarover we eerder al opmerkten dat ze zich op allerlei raakvlakken bewegen en een nadere genreomschrijving vakkundig omzeilen.’’
Productinformatie:Auteur: Dimitri Verhulst
Taal: Nederlands
Gewicht: 326,00 gram
Product breedte: 140 mm
Product hoogte: 7 mm
Product lengte: 251 mm
Samenvatting:Alle begin is moeilijk. Kijk maar. ’t Kruipt uit het water zonder om te zien. ’t Zou nog een laatste blik kunnen werpen op de oceanen, heimwee voelen uit eerbied, maar dat doet ’t niet.’
Het begint met het moment dat de mens (in het verhaal steeds aangegeven met ‘t ) vanuit het water naar het land gaat. Man en vrouw (in het verhaal eerst reu en teef genoemd) bespringen elkaar. De man moet gaan jagen om eten op tafel te brengen. Hij moet daarvoor dieren doden. Ook bestaat er al een recht op bezittingen, waardoor de mensen elkaar gaan bevechten.
Er ontstaat taal waardoor de mens de dingen kan benoemen. Dat is een leuk spelletje. Wanneer hij zich verveelt, gaat de mens tekeningen maken van de dieren waarop hij jaagt. Wanneer er door het teveel neuken overbevolking ontstaat, moet de mens zijn territorium vergroten. Zo komt hij in aanraking met andere gebieden en dieren. De mammoet bijvoorbeeld. Diens kwaliteiten (huid etc.) kan ook dienen voor het maken van tenten.
Wanneer de mens zich in een gebied gaat vestigen, wil hij niet constant blijven jagen: hij wil zich ook vestigen en dan gaat hij granen verbouwen. Maar de tarwekorrels zijn te hard om te eten en dan moet het eten eerst weer gekookt worden. Daarvoor worden er potten en pannen uitgevonden.
Toch sterven er ook mensen en die moeten in de grond gestopt worden. Er ontstaat een ware doodscultuur, waaruit dan weer de eerbied voor goden is ontstaan. ‘Is de put dichtgesmeten, dan is de dode alreeds vergeten en sjeest ’t verder op het spoor van de evolutie.’ ‘Zo gaat dat in de moderne tijd; is de voorraad op dan boort ’t elders wel een nieuwe aan.’
De goden moeten worden vertroeteld, maar ze zijn in feite onbereikbaar. Daardoor nemen de priesters hun plaatsen in: ze worden vetgemest door de bevolking en mogen zich ook te goed doen aan maagden.
Maar er ontstaat ook rekenkunde en wiskunde, waardoor er nieuwe inzichten komen.
De mens blijft zich echter maar voortplanten en trekt daarom naar gebieden die op een stad lijken. Er komen huizen boven elkaar en omdat men niet meer wil dat men piest en schijt in de wateren waar men uit drinkt, ontstaan er ook riolen. In de stad ontwikkelt zich een boven-en een onderklasse en dienen hoeren voor het seksueel gemak. Ook is er een ontwikkeling gaande dat zich Goden op de aarde vestigen. Verhulst noemt eerst de figuur van Jezus, maar denkt ook aan de Romeinse kiezers die zich als God lieten vereren. De laatsten onderscheiden zich ook door hun seksuele aberraties. Om het volk te vermaken maakt men grote arena’s waar mensen dieren bevechten en later ook elkaar (de gladiatoren) De stad blijft maar groeien, waardoor er grote problemen ontstaan.
Er blijft een behoefte aan een God bestaan, maar die is onzichtbaar. Daarvoor moet er een plaatsvervanger op aarde komen. De Paus. Vervolgens benoemt Verhulst ook de opkomst van een tweede belangrijke religie, die in enkele opzichten de tegenpool van de eerste is en derhalve nooit vreedzaam aan dezelfde tafel zal kunnen plaatsnemen. Hij doelt op de islam. En om hun eigen God te beschermen, trekken de Christenen strijdvaardig naar het Heilige Land om daar de mohammedanen te bestrijden. De godsdienstoorlogen kosten vele doden.
Herhaaldelijk vraagt de verteller zich af : “Hoe laat is het nu eigenlijk.?”
Dan vertelt hij verder over de uitvinding van de klok die voortaan het leven van de mens zal beheersen, evenals de uitvinding van de spiegel. Maar het gaat helemaal de verkeerde kant op met de mensheid en twee wezens (de bacterie en de bacil) weten daar wel raad op. Zo komt o.a. de pest in de samenleving, waaraan honderden mensen dood gaat. Ze weten geen raad met de ziekte en noemen hem ook wel De Zware Dood of de Zegen Gods. In ieder geval gaan er zoveel mensen dood dat de wereld weer even vooruit kan. Inmiddels zijn er plannen om het territorium weer te vergroten. De mens gaat de zee weer op op zoek naar andere gebieden waar hij kan uitbreiden. Ze gaan de inboorlingen die in de andere werelddelen wonen, tot het Christendom bekeren. Bovendien wordt een begin gemaakt met de slavernij. Jonge slaven worden gebrandmerkt om zo te laten zien van wie ze zijn.
In de kunstwereld wordt de anatomie ontdekt (vgl. de schilderijen van Rembrandt) Daarvoor wordt er lustig in mensen gesneden: men gebruikt vaak veroordeelde misdadigers voor die doeleinden.
Het verschil tussen arm en rijk blijft, maar de mens is tot steeds meer in staat. Hij wil laten zien wat hij heeft bedacht en organiseert wereldtentoonstellingen. Maar ook het nationalisme ontstaat (de ontdekking van de vlag om zich als land te onderscheiden) en dat stimuleert weer de zin in oorlogen. De komst van nieuwe wapens leidt tot vernietiging van andere volken. De Eerste Wereldoorlog is een feit. Opnieuw zijn er veel doden te betreuren. En na een oorlog wordt weer bezongen hoe goed God is en hoe goed de mens is. Er zal nooit meer oorlog hoeven te komen. Er moet weer geproduceerd worden en niet alles wat uitgevonden wordt, is even zinvol.
Maar de periode van vrede duurt niet echt lang, want daarna breekt de Tweede Wereldoorlog uit, waarin vooral de niemendallers het moeten ontgelden. Ze zijn het slachtoffer van de “superieuren” en worden opgesloten in kampen en er wordt gezorgd voor een manier waarop ze systematisch om het leven kunnen worden gebracht. (zie het citaat hieronder)
En dan komt de apotheose van de mens: de ontdekking van de atoombom. Om Japan tot rede te brengen wordt er voor het eerst gebruik gemaakt van de alles vernietigende bom die in een keer 70.000 mensenzielen naar de overkant helpt en ook op langere termijn nog vele slachtoffers maakt. De mens heeft door de atoombom bijna het stadium van een God bereikt: hij kan beschikken over leven en dood.
Hoe laat is het dan? De bom viel om 8.15 uur
Het is nu 8 uur zestien: het tijdperk van na de bom. Er zal vooruit gekeken moeten worden. Het streven van de mens is een auto en een koelkast voor iedereen. Voor iedereen met een wit vel en die op zondag zijn vader en moeder eert. (Voor de Christenen dus)
Recensie:Recensie 1
Zijn doorbraak kwam in 2006 met de aanstekelijke roman De helaasheid der dingen. In een bescheiden 186 bladzijden schetst de talentrijke Vlaamse auteur Dimitri Verhulst nu in zijn nieuwste boek het reilen en zeilen van de mens van het allervroegste begin tot het heden.
Het betreft hier al met al een soort geschiedenisboek. Verhulst betoont zich daarbij als een soort Geert Mak, maar dan op zijn Belgisch - wat platter, wat ongezelliger en, nu ja, wat minder kneuterig Hollands.
Hoewel, de verschillen zijn ook weer niet zo groot: Verhulst blijkt - en dat is een behoorlijke teleurstelling - in dit boek kneuterig Vlaams te zijn, hoe strijdbaar het geschrift bij oppervlakkige beschouwing ook lijkt te zijn. De titel doet de onthulling dat het hier op aarde niet meevalt.
Die luidt immers Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Nou, daar vallen we niet direct van naast onze stoel.
Verhulst volgt de mens vanaf het moment dat hij uit het oerwater kruipt. Vervolgens probeert die mens zich aan te passen aan de omstandigheden en die zelfs naar zijn hand te zetten. Zo'n beetje op pagina 180 doet de mens zijn ultieme uitvinding: de atoombom. Nu ja, ultiem, alles is dan nog niet helemaal voorbij, want ''t kan niet blijven snotteren'. 'Daar keren de verdampten en vergasten niet mee weer. (...) Voorwaarts moet 't nu kijken, zoals 't altijd al voorwaarts heeft gekeken.' 't (inderdaad: apostrof, kleine letter t), dat is 'de naam' waarmee de hoofdpersoon in deze geschiedenisles consequent wordt aangeduid.
Deze 't blijkt vooral een Belg te zijn: het is bij hem allez hier en uitgekuist daar wat de klok slaat.
Er zijn lezers die proza meteen mooi vinden als het Vlaams is, welnu, voor hen is dit het ideale boek.
Je kunt het aan elkaar voorlezen en een Belg nadoen. Een willekeurig citaat: 'Pief, poef, paf en gij zijt af.
Haha. Wel, wel, dit zijn plezante tijden.' Suske en Wiske zijn er niets bij.
De Belg van Verhulst, 't dus, houdt zich vanaf het moment dat hij uit het water is gekropen tot het betere bomuitvindwerk grofweg gezegd bezig met drie dingen: neuken, eten en het voeren van oorlog. Tussendoor wordt nog wel Amerika ontdekt, worden goden verzonnen en worden ziektes bestreden. Maar het hart ligt daar niet echt in, zoals hoofdpersoon 't eigenlijk nergens echt warm voor loopt. Onze antiheld is gedurende al die eeuwen die aan ons voorbijtrekken, een duf konijn.
De plot is daarbij overbekend. We weten wat zal gebeuren; de grote geschiedenislijn die Verhulst volgt, bevat geen verrassingen. En nu deze 'intrige' ook nog eens niet wordt geschraagd door zich werkelijk ergens voor inzettende personages, wordt dit boek wel bijzonder saai.
Het moet deze keer bij Verhulst dus volledig van de stijl komen. En dat zul je altijd zien: op dat Vlaams na, waarvan je moet houden, valt daar evenmin veel aan te beleven.
Er wordt veel te pas en te onpas aan rijmelarij gedaan. Er zit een melige running gag in het boek, er wordt namelijk regelmatig geïnformeerd naar uitgestorven diersoorten: 'À propos, iemand onlangs eigenlijk nog een mammoet gezien?' Spreekwoorden worden ironisch in de strijd geworpen. Volksliedjes worden opgelegd geestig ingezet: 'Een eigen krot, een plek onder de zon...' Er wordt nogal wat met kreten en uitroeptekens gewerkt: 'Geen probleem! Hopla!' Nou ja, samenvattend, die stijl houdt deze keer ook niet over.
Godverdomse dagen op een godverdomse bol werd ergens omschreven als een woedend boek. Het wordt geweerd door protestantse boekhandelaren.
Verhulst zou een negatieveling zijn, blasfemisch, een zwartkijker.
Laat u niets wijsmaken. Het boek is geschikt voor de lezer vanaf zes jaar. Even voorlezen en het kind valt vrijwel direct in een rustige slaap, dromend over een vette dodo in de pan. Ja, dat is vast wel naar zijn goesting.
ARIE STORM
Dimitri Verhulst - Godverdomse dagen op een godverdomse bol
Recensie 2
‘’Dimitri Verhulst - Godverdomse dagen op een godverdomse bol
Taal: Nederlands
Gewicht: 326,00 gram
Product breedte: 140 mm
Product hoogte: 7 mm
Product lengte: 251 mm
Het begint met het moment dat de mens (in het verhaal steeds aangegeven met ‘t ) vanuit het water naar het land gaat. Man en vrouw (in het verhaal eerst reu en teef genoemd) bespringen elkaar. De man moet gaan jagen om eten op tafel te brengen. Hij moet daarvoor dieren doden. Ook bestaat er al een recht op bezittingen, waardoor de mensen elkaar gaan bevechten.
Er ontstaat taal waardoor de mens de dingen kan benoemen. Dat is een leuk spelletje. Wanneer hij zich verveelt, gaat de mens tekeningen maken van de dieren waarop hij jaagt. Wanneer er door het teveel neuken overbevolking ontstaat, moet de mens zijn territorium vergroten. Zo komt hij in aanraking met andere gebieden en dieren. De mammoet bijvoorbeeld. Diens kwaliteiten (huid etc.) kan ook dienen voor het maken van tenten.
Wanneer de mens zich in een gebied gaat vestigen, wil hij niet constant blijven jagen: hij wil zich ook vestigen en dan gaat hij granen verbouwen. Maar de tarwekorrels zijn te hard om te eten en dan moet het eten eerst weer gekookt worden. Daarvoor worden er potten en pannen uitgevonden.
Toch sterven er ook mensen en die moeten in de grond gestopt worden. Er ontstaat een ware doodscultuur, waaruit dan weer de eerbied voor goden is ontstaan. ‘Is de put dichtgesmeten, dan is de dode alreeds vergeten en sjeest ’t verder op het spoor van de evolutie.’ ‘Zo gaat dat in de moderne tijd; is de voorraad op dan boort ’t elders wel een nieuwe aan.’
De goden moeten worden vertroeteld, maar ze zijn in feite onbereikbaar. Daardoor nemen de priesters hun plaatsen in: ze worden vetgemest door de bevolking en mogen zich ook te goed doen aan maagden.
Maar er ontstaat ook rekenkunde en wiskunde, waardoor er nieuwe inzichten komen.
De mens blijft zich echter maar voortplanten en trekt daarom naar gebieden die op een stad lijken. Er komen huizen boven elkaar en omdat men niet meer wil dat men piest en schijt in de wateren waar men uit drinkt, ontstaan er ook riolen. In de stad ontwikkelt zich een boven-en een onderklasse en dienen hoeren voor het seksueel gemak. Ook is er een ontwikkeling gaande dat zich Goden op de aarde vestigen. Verhulst noemt eerst de figuur van Jezus, maar denkt ook aan de Romeinse kiezers die zich als God lieten vereren. De laatsten onderscheiden zich ook door hun seksuele aberraties. Om het volk te vermaken maakt men grote arena’s waar mensen dieren bevechten en later ook elkaar (de gladiatoren) De stad blijft maar groeien, waardoor er grote problemen ontstaan.
Er blijft een behoefte aan een God bestaan, maar die is onzichtbaar. Daarvoor moet er een plaatsvervanger op aarde komen. De Paus. Vervolgens benoemt Verhulst ook de opkomst van een tweede belangrijke religie, die in enkele opzichten de tegenpool van de eerste is en derhalve nooit vreedzaam aan dezelfde tafel zal kunnen plaatsnemen. Hij doelt op de islam. En om hun eigen God te beschermen, trekken de Christenen strijdvaardig naar het Heilige Land om daar de mohammedanen te bestrijden. De godsdienstoorlogen kosten vele doden.
Herhaaldelijk vraagt de verteller zich af : “Hoe laat is het nu eigenlijk.?”
Dan vertelt hij verder over de uitvinding van de klok die voortaan het leven van de mens zal beheersen, evenals de uitvinding van de spiegel. Maar het gaat helemaal de verkeerde kant op met de mensheid en twee wezens (de bacterie en de bacil) weten daar wel raad op. Zo komt o.a. de pest in de samenleving, waaraan honderden mensen dood gaat. Ze weten geen raad met de ziekte en noemen hem ook wel De Zware Dood of de Zegen Gods. In ieder geval gaan er zoveel mensen dood dat de wereld weer even vooruit kan. Inmiddels zijn er plannen om het territorium weer te vergroten. De mens gaat de zee weer op op zoek naar andere gebieden waar hij kan uitbreiden. Ze gaan de inboorlingen die in de andere werelddelen wonen, tot het Christendom bekeren. Bovendien wordt een begin gemaakt met de slavernij. Jonge slaven worden gebrandmerkt om zo te laten zien van wie ze zijn.
In de kunstwereld wordt de anatomie ontdekt (vgl. de schilderijen van Rembrandt) Daarvoor wordt er lustig in mensen gesneden: men gebruikt vaak veroordeelde misdadigers voor die doeleinden.
Het verschil tussen arm en rijk blijft, maar de mens is tot steeds meer in staat. Hij wil laten zien wat hij heeft bedacht en organiseert wereldtentoonstellingen. Maar ook het nationalisme ontstaat (de ontdekking van de vlag om zich als land te onderscheiden) en dat stimuleert weer de zin in oorlogen. De komst van nieuwe wapens leidt tot vernietiging van andere volken. De Eerste Wereldoorlog is een feit. Opnieuw zijn er veel doden te betreuren. En na een oorlog wordt weer bezongen hoe goed God is en hoe goed de mens is. Er zal nooit meer oorlog hoeven te komen. Er moet weer geproduceerd worden en niet alles wat uitgevonden wordt, is even zinvol.
Maar de periode van vrede duurt niet echt lang, want daarna breekt de Tweede Wereldoorlog uit, waarin vooral de niemendallers het moeten ontgelden. Ze zijn het slachtoffer van de “superieuren” en worden opgesloten in kampen en er wordt gezorgd voor een manier waarop ze systematisch om het leven kunnen worden gebracht. (zie het citaat hieronder)
En dan komt de apotheose van de mens: de ontdekking van de atoombom. Om Japan tot rede te brengen wordt er voor het eerst gebruik gemaakt van de alles vernietigende bom die in een keer 70.000 mensenzielen naar de overkant helpt en ook op langere termijn nog vele slachtoffers maakt. De mens heeft door de atoombom bijna het stadium van een God bereikt: hij kan beschikken over leven en dood.
Hoe laat is het dan? De bom viel om 8.15 uur
Het is nu 8 uur zestien: het tijdperk van na de bom. Er zal vooruit gekeken moeten worden. Het streven van de mens is een auto en een koelkast voor iedereen. Voor iedereen met een wit vel en die op zondag zijn vader en moeder eert. (Voor de Christenen dus)
Het betreft hier al met al een soort geschiedenisboek. Verhulst betoont zich daarbij als een soort Geert Mak, maar dan op zijn Belgisch - wat platter, wat ongezelliger en, nu ja, wat minder kneuterig Hollands.
Hoewel, de verschillen zijn ook weer niet zo groot: Verhulst blijkt - en dat is een behoorlijke teleurstelling - in dit boek kneuterig Vlaams te zijn, hoe strijdbaar het geschrift bij oppervlakkige beschouwing ook lijkt te zijn. De titel doet de onthulling dat het hier op aarde niet meevalt.
Die luidt immers Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Nou, daar vallen we niet direct van naast onze stoel.
Verhulst volgt de mens vanaf het moment dat hij uit het oerwater kruipt. Vervolgens probeert die mens zich aan te passen aan de omstandigheden en die zelfs naar zijn hand te zetten. Zo'n beetje op pagina 180 doet de mens zijn ultieme uitvinding: de atoombom. Nu ja, ultiem, alles is dan nog niet helemaal voorbij, want ''t kan niet blijven snotteren'. 'Daar keren de verdampten en vergasten niet mee weer. (...) Voorwaarts moet 't nu kijken, zoals 't altijd al voorwaarts heeft gekeken.' 't (inderdaad: apostrof, kleine letter t), dat is 'de naam' waarmee de hoofdpersoon in deze geschiedenisles consequent wordt aangeduid.
Deze 't blijkt vooral een Belg te zijn: het is bij hem allez hier en uitgekuist daar wat de klok slaat.
Er zijn lezers die proza meteen mooi vinden als het Vlaams is, welnu, voor hen is dit het ideale boek.
Je kunt het aan elkaar voorlezen en een Belg nadoen. Een willekeurig citaat: 'Pief, poef, paf en gij zijt af.
Haha. Wel, wel, dit zijn plezante tijden.' Suske en Wiske zijn er niets bij.
De Belg van Verhulst, 't dus, houdt zich vanaf het moment dat hij uit het water is gekropen tot het betere bomuitvindwerk grofweg gezegd bezig met drie dingen: neuken, eten en het voeren van oorlog. Tussendoor wordt nog wel Amerika ontdekt, worden goden verzonnen en worden ziektes bestreden. Maar het hart ligt daar niet echt in, zoals hoofdpersoon 't eigenlijk nergens echt warm voor loopt. Onze antiheld is gedurende al die eeuwen die aan ons voorbijtrekken, een duf konijn.
De plot is daarbij overbekend. We weten wat zal gebeuren; de grote geschiedenislijn die Verhulst volgt, bevat geen verrassingen. En nu deze 'intrige' ook nog eens niet wordt geschraagd door zich werkelijk ergens voor inzettende personages, wordt dit boek wel bijzonder saai.
Het moet deze keer bij Verhulst dus volledig van de stijl komen. En dat zul je altijd zien: op dat Vlaams na, waarvan je moet houden, valt daar evenmin veel aan te beleven.
Er wordt veel te pas en te onpas aan rijmelarij gedaan. Er zit een melige running gag in het boek, er wordt namelijk regelmatig geïnformeerd naar uitgestorven diersoorten: 'À propos, iemand onlangs eigenlijk nog een mammoet gezien?' Spreekwoorden worden ironisch in de strijd geworpen. Volksliedjes worden opgelegd geestig ingezet: 'Een eigen krot, een plek onder de zon...' Er wordt nogal wat met kreten en uitroeptekens gewerkt: 'Geen probleem! Hopla!' Nou ja, samenvattend, die stijl houdt deze keer ook niet over.
Godverdomse dagen op een godverdomse bol werd ergens omschreven als een woedend boek. Het wordt geweerd door protestantse boekhandelaren.
Verhulst zou een negatieveling zijn, blasfemisch, een zwartkijker.
Laat u niets wijsmaken. Het boek is geschikt voor de lezer vanaf zes jaar. Even voorlezen en het kind valt vrijwel direct in een rustige slaap, dromend over een vette dodo in de pan. Ja, dat is vast wel naar zijn goesting.
ARIE STORM
Dimitri Verhulst - Godverdomse dagen op een godverdomse bol
Dimitri Verhulst - Godverdomse dagen op een godverdomse bol
Op de tragikomische bestseller De helaasheid der dingen volgde de novelle Mevrouw Verona daalt de heuvel af, een ijzingwekkend verhaal over liefde en dood.Godverdomse dagen op een godverdomse bol is weer een totaal ander boek, dat alle verwachtingen weglacht. Een schrijver die zo veel verschillende boeken op rij aflevert, noem je op z'n minst een fenomeen.
Godverdomse dagen is geen klassieke roman. Dit is een van die boeken waarover we eerder al opmerkten dat ze zich op allerlei raakvlakken bewegen en een nadere genreomschrijving vakkundig omzeilen.
Er is amper een plot, er is amper een hoofdpersoon. "Het", afgekort tot de letter t, is de hoofdpersoon en dat is meteen de hele mensheid. Godverdomse dagen is een sardonische komedie met de mens als lijdend voorwerp, en tegelijk een weergaloze stijloefening.
De taal is opzettelijk scabreus en agressief. Confronterend is ook dat Verhulst consequent ontkent dat de mensheid, in de loop van de geschiedenis, een gunstige ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zeker, de tijd verglijdt ('Hoe laat is het?' vraagt de verteller regelmatig), maar de mens blijft dezelfde ellendeling. We volgen hem (of het) vanaf het moment dat hij opduikt uit het water, als amfibie, tot aan de oerknal genaamd Hiroshima. Maar de geschiedenis blijft niet veilig ver weg in het verleden; Verhulst zorgt ervoor dat ze dicht bij huis komt. Het heden is alomtegenwoordig in dit boek. Zo wordt het brandmerken van slaven bijvoorbeeld beschreven met het woord 'inwijdingsritueel', alsof het om een studentendoop gaat. Overwonnen volkeren moeten de taal van de overwinnaar leren spreken, 'Het Usurpators zonder moeite', alsof het een NTI-cursus is. Reclameclichés duiken op in het hoofdstuk over de pest. Na de uitvinding van het uurwerk wordt de zandloper niet weggeworpen, want 'die kan nog altijd worden gebruikt voor gezelschapsspelletjes'.
Verhulst knipoogt zelfs naar de Nederlandse literatuur. Ergens is er sprake van het 'sadistisch universum', een uitdrukking die werd gemunt door W.F. Hermans. De term 'de Grote Drie', die normaal gezien verwijst naar Hermans, Mulisch en Reve, duikt ook op in Godverdomse dagen – maar nu dient hij om ratten, kakkerlakken en pissebedden aan te duiden.
Godverdomse dagen is geen boek dat je zomaar naast je neerlegt. Verhulst is zo intens kritisch over de mens, dat je je bijna gedwongen voelt om het voor je soort op te nemen. In een literair landschap waarin net iets te veel thrillers, incestdrama's en andere voorspelbare verhalen opdoemen, is Godverdomse dagen een verademing. Zijn tot kunsttaal opgepimpte Nederlands, met evenveel dialectische als zelfverzonnen woorden, is uniek. Soms is het verband los, soms is het strak als een snaar, maar het rijm zit in haast elke zin. Deze roman is een vuurwerk van taal en alleen al daarom een literaire prestatie van formaat. Verhulst zoekt de grenzen op van de roman, gaat de confrontatie met de lezer aan en ondergraaft zijn eigen boodschap soms met érg flauwe grapjes. Verhulst is een getalenteerde durfal.
Amsterdam, 23 maart 2009
De taal is opzettelijk scabreus en agressief. Confronterend is ook dat Verhulst consequent ontkent dat de mensheid, in de loop van de geschiedenis, een gunstige ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zeker, de tijd verglijdt ('Hoe laat is het?' vraagt de verteller regelmatig), maar de mens blijft dezelfde ellendeling. We volgen hem (of het) vanaf het moment dat hij opduikt uit het water, als amfibie, tot aan de oerknal genaamd Hiroshima. Maar de geschiedenis blijft niet veilig ver weg in het verleden; Verhulst zorgt ervoor dat ze dicht bij huis komt. Het heden is alomtegenwoordig in dit boek. Zo wordt het brandmerken van slaven bijvoorbeeld beschreven met het woord 'inwijdingsritueel', alsof het om een studentendoop gaat. Overwonnen volkeren moeten de taal van de overwinnaar leren spreken, 'Het Usurpators zonder moeite', alsof het een NTI-cursus is. Reclameclichés duiken op in het hoofdstuk over de pest. Na de uitvinding van het uurwerk wordt de zandloper niet weggeworpen, want 'die kan nog altijd worden gebruikt voor gezelschapsspelletjes'.
De jury
Ivo Opstelten, voorzitter
Mark Cloostermans
Carel de Haseth
Janet Luis
Thomas Vaessens
Mark Cloostermans
Carel de Haseth
Janet Luis
Thomas Vaessens
UP
Auteur:Myrthe van der Meer (pseudoniem, 1983) werkte als redacteur toen ze na een burn-out vijf maanden lang op een paaz opgenomen werd. Over deze ervaring schreef ze haar debuut PAAZ. Het boek werd meer dan 50.000 keer verkocht en het werd genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs. Myrthe won de Psyche Mediaprijs en de Viva400-Award. In 2013 verscheen haar tweede boek, de roman Kalf.
Informatie:Myrthe van der Meer schreef over haar zware depressies PAAZ. Dat die bestseller haar leven nog ingewikkelder maakte dan het al was, beschrijft ze in haar nieuwe boek: UP.
Het hele Opzij-interview met Myrthe van der Meer is te lezen in de Maart-editie van Opzij en via Blendle. Niet-abonnees betalen een kleine vergoeding.
Myrthe van der Meer beschreef in PAAZ haar maandenlange opname op de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (paaz). Na het verschijnen van het boek PAAZ volgde Van der Meer vrijwillig een programma in een psychotherapeutische kliniek, om uit te zoeken waarom ze in haar crisis belandde. UP, haar nieuwe, eveneens autobiografische boek, gaat onder andere over deze opname. Ze beschrijft openhartig, en met humor, het doolhof van pillen, psychiaters en medepatiënten. Aangezien de opname op de paaz wel een vergissing moet zijn, gaat hoofdpersoon ‘Emma’ op zoek naar een verklaring. Want als je niet ziek bent, hoef je toch ook niet beter te worden?
Van der Meer in Opzij: ‘PAAZ is veel lichter dan UP; de paaz was de hoofpersoon. UP gaat over mijn innerlijk, en het innerlijk is nooit leuk als je op de paaz terechtkomt. Zeker niet als je diagnose betekent dat je levenslang hebt.’
Productinformatie:Auteur: Myrthe van der Meer
Taal: Nederlands
Gewicht: 491,00 gram
Product breedte: 125 mm
Product hoogte: 23 mm
Product lengte: 200 mm
Verschijningsjaar: 2015
Samenvatting:Als Emma Nieuwenhuis (28 jaar oud) enthousiast naar het laatste gesprek met haar psychiater, dokter Visser gaat, gebeurt er iets wat ze niet helemaal had voorzien. Haar psychiater is er niet omdat haar man plotseling is overleden. De plaatsvervanger, dokter Rajid Panjani, weet niets van een eindgesprek en heeft daarnaast Emma's dossier gelezen. Hij hoort van haar dat ze bovendien een voorraad van 200 pillen thuis heeft die ze "bij een gelegenheid: ineens zou kunnen inslikken". Voor het einde van de dag is ze opgenomen op de Paaz; de psychiatrische afdeling van het algemeen ziekenhuis, waar ze twee jaar ervoor ook al heeft verbleven. Ook voor haar vriend Sergei is het een pijnlijke kwestie. Hij moet van de arts alle pillen van Emma opruimen, waardoor het acute gevaar van zelfdoding kan worden voorkomen. Emma is bovendien een persoon met Asperger met wie het toch al moeilijk communiceren is. Sergei kan het allemaal opbrengen al voor een periode van zes jaar. Hij weet ook van haar voorliefde voor meerkoeten en stuurde twee jaar geleden altijd ansichten van die vogels naar haar toe.
Up sluit aan op Paaz, de eerste psychiatrische roman zoals Myrthe van der Meer haar boeken typeert. Dit tweede boek gaat vooral over de zoektocht naar zichzelf en het omgaan met de nieuwe diagnose.
Dat betekent dat er eigenlijk niet heel veel gebeurt in de handeling. Het zijn voornamelijk verslagen van gesprekken tussen Emma en haar psychiater en haar medepatiënten. Er wordt voor haar een nieuwe diagnose gesteld: Emma is niet depressief , maar manisch-depressief. Dat betekent dat ze periodes kent van enorme energie en activiteit en dat ze die afwisselt met periodes van donkerte en leegheid. (vgl. het motto van de roman "Hello Darkness") Van de dokter moet ze een stemmingsformulier invullen, zodat hij beter op de hoogte is van de momenten waarop de "ups and downs" zich voordoen.
Op de paaz maakte ze kennis met oude bekenden (enkele verpleegkundigen o.a. Gwen) van de vorige opname, twee jaar daarvoor, en met nieuwe patiënten. Een van hen is de slimme junk Michael, die alles wat er op de paaz gebeurt met een cynische blik kan benoemen. Hij schokt ook iedereen met T-shirts met opdruk die vaak niet door de beugel kunnen. (Ik ben Suzy Daal of "IK ben God en ik ben depressief"). Toch helpt hij haar op een keer echt uit de problemen op het moment dat ze aan een waanvoorstelling lijdt. Ze ziet enge dingen die er niet zijn.
Daarnaast is er Beatrice, een vrouw van de pensioenleeftijd, die het ineens niet meer zag zitten in haar leven. Ze kent periodes van depressief en heeft zichzelf wijsgemaakt dat ze met kerst zelfmoord zal plegen als de situatie rondom haar niet verbetert. Ze voert enkele gesprekken met Emma.
Eerst heeft Emma vanwege het gevaar dat ze loopt geen vrijheden. Dan mag ze dus niet in het weekend naar huis, terwijl de andere patiënten dat wel mogen en pas op maandag weer terugkeren. dan uis z ehelemaal alleen op d eafdeling en werkt op haar laptop. Ze was redactrice bij een uitgeverij en ze heeft haar laptop meegenomen. Maar n.a.v. haar eerste verblijf op de paaz, is ze ontslagen en op de laptop tikt ze daarom nu de aantekeningen voor haar roman die ze wil schrijven over het verblijf. Verder heeft ze een voorliefde ontwikkeld voor puzzelen (net als in deel I) en ze doet dat in een speciale ruimte: het puzzelhok.
Ook keert de haar begeleidende psycholoog Lars terug van vakantie en hij veegt haar de mantel uit, vanwege het feit dat ze weer is teruggekeerd. Dat is het moment waarop Emma het zo moeilijk heeft dat ze van een brug wil springen. Ze heeft de rest van haar familie niet ingeseind: die heeft het vroeger al moeilijk genoeg gehad met de problemen van haar broertje David. Vooral met haar moeder is de relatie moeizaam. Ze krijgt dan ook vooralsnog geen bezoek. Emma heeft ook nog een zusje Elise.
Lars beseft dat hij te ver gegaan is in zijn kritiek op Emma en hij biedt enkele dagen later zijn excuses aan.
Het verhaal gaat ook in op kritiek op zorginstellingen. Er is achterstallig onderhoud: zo kan een deur van de paaz niet meer gesloten worden. Het herstel wordt uitgespaard, omdat er een nieuwe afdeling zal worden geopend: de UP. Later heeft Michiel een erg passende oplossing gevonden, waardoor de deur toch vervangen wordt. In een nagespeelde bui van woede kiepert hij een stoel door de deur. Dan wordt het euvel wel verholpen. Ook is er eigenlijk te weinig tijd voor de patiënten op de open afdeling.
Wanneer Emma aan nieuwe medicijnen moet, zijn de bijwerkingen heel erg vervelend. Het kost veel moeite om de juiste dosis te bepalen. Maar het gaat een keer zo slecht dat ze meteen naar de Spoed Eisende hulp van het ziekenhuis moet. Ze houdt het feit voor Sergie verborgen.
Intussen is het verblijf in de paaz een kwestie van ledigheid en het kussen van de duivel. Er is een dagprogramma dat niet altijd door de verpleging kan worden gerealiseerd: er is gewoon gene tijd voor. Het begint meestal met een niet zo functionele dagopening, maar ook wandelen staat op het schema. Niet iedereen vindt dat zo leuk. Ook de "herstellezingen "van een "ervaringsdeskundige" lijden tot heftige kritiek vooral, van Emma.
Een van de grappen die Emma uithaalt, is dat ze 's nachts de schilderijen op de afdeling allemaal ondersteboven hangt en dat het daarna door niemand wordt opgemerkt. In de laatste nacht voor haar vertrek doet ze het nog een keer samen met Beatrice. Die wordt er helemaal gelukkig van. Daarvoor heeft Beatrice voor paniek gezorgd als een van de verpleegkundigen slordig is geweest met een zakje pillen dat op de kamer van Beatrice is beland. Emma kan Beatrice overtuigen dat ze de pillen terug moet geven.
Op een dag komt haar moeder op bezoek. Die zegt dat ze het liefst het ziekenhuis mijdt en dan hoort Emma voor de eerste keer dat haar moeder voordat ze Emma kreeg, drie miskramen heeft gehad en daarvoor telkens in dit ziekenhuis werd opgenomen. Die kennis vergroot het begrip van Emma voor haar moeder. Na drie miskramen heeft haar moeder toch nog een kind willen krijgen. Bovendien heeft ze veel problemen gehad met David. Onlangs had zijn zusje Elise hem nog totaal verwaarloosd aangetroffen. Ook daar was de moeder erg bezorgd over.
Het gaat daarna steeds beter met Emma en dokter Rajid wil wel instemmen met een terugkeer naar huis, als de medicijnen goed bijgesteld zijn. Manisch-depressief (een aandoening die toch nooit over zal gaan in tegenstelling tot depressies) kan ze ook thuis zijn. Dan begint de afscheidsronde langs personeel en patiënten. Ook van haar psycholoog Lars, van wie ze te horen heeft gekregen dat hij een andere baan zal zoeken. Wanneer ze toch weer naar de junk Michiel gaat, vertelt hij haar een schrijnend verhaal over zijn drugsverleden. Eigenlijk was zijn voorbeeldige zusje de schuldige. Ze had zich diep in de problemen gewerkt in de drugswereld. Emma had hem herinnerd aan haar, omdat ze ook manisch-depressief was en uiteindelijk zelfmoord had gepleegd. Daardoor had hij vaak lullig tegen Emma gedaan. Na de dood van zijn zusje was hij gechanteerd door criminelen bij wie zijn zus een schuld had opgebouwd. Maar hij heeft toch weer hoop gekregen op een betere toekomst.
Na zes weken verlaat Emma eindelijk weer de paaz: op de laatste dag ontmoet ze ook dokter Visser nog wier man was overleden. Ze ziet het verdriet in haar ogen en probeert iets uit medelijden te zeggen. Emma zal zelf onder behandeling blijven van dokter Rajid. Het boterde toch al niet zo goed tussen Emma en Visser. De moeder van Emma komt haar ophalen.
In het laatste hoofdstuk (enkele maanden later) zijn Emma en Sergei samen. Ze fietsen samen naar de plek waar de Paaz nu tegen de vlakte ligt. Het nieuwe gebouw is klaar. Ze praten over een relatietherapie. Sergei wil wel meewerken. Hij kent haar problemen toch al zes jaar.
Ze zegt dat ze niet kan blijven bij hem, omdat ze bij hem thuis geen pillen heeft. Dan zegt Sergei dat hij nog wel een voorraadje heeft: hij had ze namelijk nooit weggegooid.
Recensie:Recensie 1
Taal: Nederlands
Verschijningsjaar: 2015
RECENSIE EN WINACTIE: UP – MYRTHE VAN DER MEER
Het thema van de boekenweek is waanzin: te gek voor woorden. Het ideale moment dus om een psychiatrische roman (zoals Van der Meer ze zelf noemt) te lezen. Van PAAZvan Myrthe Van der Meer was ik al danig onder de indruk (ik las het boek vorig jaar, maar het verscheen al in 2012), dus naar opvolger UP was ik ook erg nieuwsgierig. Gelukkig ontving ik van uitgeverij House of Books een recensie-exemplaar, nog enorm bedankt daarvoor.
Over het boek
Emma is jong, getalenteerd, bevlogen en ze heeft levenslang… de levenslange diagnose manisch depressief. Als Emma vol goede moed naar het laatste gesprek met haar psychiater gaat, gebeuren er een aantal dingen die ze niet helemaal had voorzien; haar psychiater is verdwenen, de vervanger weet niets van een eindgesprek en voor het einde van de dag is ze opgenomen op de paaz. Alweer.
Terwijl Emma op zoek gaat naar een verklaring, raakt ze langzaam maar zeker verstrikt in de wonderlijke wereld van pillen, psychiaters en patiënten. Hoeveel last mag je als psychiatrisch patiënt je omgeving bezorgen? Waar loopt de grens tussen problemen bespreken en anderen ermee chanteren?
Mijn mening over het boek
UP is net als voorganger PAAZ weer zo’n boek waar je na het lezen even van moet bijkomen. Want het is behoorlijk heftig. Juist omdat Myrthe Van der Meer op een zeer nuchtere en vaak ook grappige manier schrijft over zo’n beladen onderwerp komt het op momenten keihard binnen. Of, zoals Van der Meer zelf schrijft: “een depressie is niet alleen maar leuk”.
UP begint met een bezoek van hoofdpersoon Emma aan haar psychiater. Het gaat eigenlijk heel goed met haar. Uitermate goed. Beter dan ooit. Maar ze heeft wel pillen opgespaard en gaat die allemaal slikken om er een eind aan te maken. Logisch toch? Althans, voor Emma. Haar psychiater (een invaller, want haar eigen psychiater is er niet) denkt daar toch anders over en dus wordt Emma opnieuw opgenomen. En moet ze een nieuwe diagnose leren accepteren en een manier zoeken om deze te delen met haar naasten. Dat valt niet mee. Niet alleen vanwege de vooroordelen die anderen hebben over mensen met een psychiatrische aandoening, maar vooral ook vanwege de vraag in hoeverre je anderen mag belasten met jouw problemen.
Van der Meer laat met UP een duidelijk beeld zien van het reilen en zeilen op een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis, de rol van het personeel, de verschillende types patiënten die er zitten en hun onderlinge verhoudingen. Maar vooral ook dat het stigma dat vaak nog gepaard gaat met een psychiatrische aandoening niet nodig zou moeten zijn, want het kan werkelijk iedereen overkomen. En wanneer iemand een arm breekt is het volstrekt normaal om het daar over te hebben, maar het bespreken van een psychiatrische aandoening is toch vaak nog taboe.
Al met al in ieder geval weer een zeer indrukwekkend boek dat door de heldere schrijfstijl en vaak ook zeer grappige beschrijvingen keihard aankomt.
MirandaLeest zegt: Laat je niet op het verkeerde been zetten door de luchtige toon van het boek. De omschrijvingen van het leven op een psychiatrische afdeling komen keihard binnen.
Recensie 2
Emma is jong, getalenteerd, bevlogen en ze heeft levenslang… de levenslange diagnose manisch depressief. Als Emma vol goede moed naar het laatste gesprek met haar psychiater gaat, gebeuren er een aantal dingen die ze niet helemaal had voorzien; haar psychiater is verdwenen, de vervanger weet niets van een eindgesprek en voor het einde van de dag is ze opgenomen op de paaz. Alweer.
Terwijl Emma op zoek gaat naar een verklaring, raakt ze langzaam maar zeker verstrikt in de wonderlijke wereld van pillen, psychiaters en patiënten. Hoeveel last mag je als psychiatrisch patiënt je omgeving bezorgen? Waar loopt de grens tussen problemen bespreken en anderen ermee chanteren?
UP is net als voorganger PAAZ weer zo’n boek waar je na het lezen even van moet bijkomen. Want het is behoorlijk heftig. Juist omdat Myrthe Van der Meer op een zeer nuchtere en vaak ook grappige manier schrijft over zo’n beladen onderwerp komt het op momenten keihard binnen. Of, zoals Van der Meer zelf schrijft: “een depressie is niet alleen maar leuk”.
REVIEW: UP – MYRTHE VAN DER MEER
De psychiatrische roman PAAZ, geschreven door Myrthe van der Meer, las ik alweer ruim een jaar geleden. Het boek ligt echter nog vers in mijn geheugen, omdat ik het zo ontzettend indrukwekkend vond. In PAAZ beschrijft Myrthe van der Meer haar ervaringen op de psychiatrische afdeling van het algemeen ziekenhuis. Ze is vijf maanden opgenomen geweest op de paaz, omdat ze zwaar depressief was. De nieuwe roman van Myrthe van der Meer, UP, gaat verder waar PAAZ ophield:
Als Emma enthousiast naar het laatste gesprek met haar psychiater gaat, gebeurt er iets wat ze niet helemaal had voorzien; haar psychiater is verdwenen, de vervanger weet niets van een eindgesprek en voor het einde van de dag is ze opgenomen op de paaz; de psychiatrische afdeling van het algemeen ziekenhuis. Alweer.
Aangezien deze nieuwe paazvakantie wel een vergissing moet zijn, gaat Emma in het doolhof van pillen, psychiaters en medepatiënten op zoek naar een verklaring. Want als je niet ziek bent, hoef je toch ook niet beter te worden? Als de verklaring in de vorm van een nieuwe diagnose lijkt te komen, begint ze zich echter af te vragen of ze die wel wil weten; want wat als je je eigen waarnemingen en gedachten niet meer kunt vertrouwen, en je grootste vijand niet in de buitenwereld zit, maar in je eigen hoofd?
PAAZ was volledig waargebeurd en wordt door de auteur zelf omschreven als “een bijna een-op-een verslag van mijn eerste psychiatrische opname”. UP is echter een verzameling van verschillende gebeurtenissen na die eerste opname, bijvoorbeeld haar diagnosetrajecten, haar ervaringen met de dagopvang en tenslotte haar tweede opname op de paaz.
Het verhaal begint met het laatste gesprek tussen Emma en haar psychiater. Haar psychiater is echter afwezig en Emma wordt doorverwezen naar een andere psychiater. Emma heeft Asperger en veranderingen zijn voor Asperger-patiënten erg moeilijk te verwerken. Haar nieuwe psychiater vertrouwt de zaken niet en besluit Emma voor de tweede keer op te laten nemen op de paaz. Emma blijkt, naast depressief te zijn, ook kenmerken te vertonen van manisch depressiviteit. Wat eerder nooit naar voren is gekomen, is dat ze last heeft van hallucinaties en waanideeën. Emma heeft het heel erg moeilijk met deze nieuwe diagnose want, zoals ze zelf zo mooi verwoord: “want manisch-depressiviteit betekent dat de depressies geen toeval waren. Dat ook die laatste hoop verloren is, omdat er dan nooit meer een laatste zal zijn, omdat ze terug zullen komen, altijd weer opnieuw, en ik steeds weer op dat balkon zal staan, steeds weer voor de keuze gesteld, altijd weer opnieuw”. Op het balkon staat refereert naar een steeds terugkerende gebeurtenis uit haar leven. Een van Emma’s waanideeën is dat ze kan vliegen. Manisch depressief zijn, betekent eigenlijk dat depressies altijd terug zullen keren en ze hier nooit van zal gaan kunnen genezen. En dat lijkt me erg heftig om te moeten verwerken.
Een van de sterkste fragmenten uit het boek, vind ik de scene waarin Emma en haar mede-patiënten naar hersteltherapie gaan. Deze hersteltherapie wordt geleid door een ervaringsdeskundige, iemand die ook ooit is opgenomen in de paaz. Deze ervaringsdeskundige vraagt aan de groep wat er precies met de term “herstel” wordt bedoeld. Emma geeft het volgende antwoord: “Herstel is dat je teruggaat naar het beginpunt, de uitgangswaarde. Het betekent dat je genezen bent”. De ervaringsdeskundige legt uit dat ze in de psychiatrie liever spreken van “herstel” in plaats van “genezing”. Genezing is een term die vaak wordt gebruikt in de geneeskunde. Binnen de psychiatrie zou deze term echter misleidend zijn, omdat veel psychische aandoeningen vaak chronisch zijn, waardoor je ze altijd bij je zult dragen. Professionals als psychologen en psychiaters kunnen psychische aandoeningen vaak niet niet genezen, maar wel draaglijker maken. Ik denk dat dit fragment echter een eye-opener is voor mensen die niet zoveel van depressiviteit af weten, maar wel vaak een oordeel vellen over mensen die depressief zijn.
Wat ik zo ontzettend goed aan dit boek vind is dat de heftige gebeurtenissen, met zoveel humor en zelfspot worden beschreven. Myrthe van der Meer beschrijft haar ervaringen in de psychiatrische kliniek in een soort dagboekvorm. De auteur heeft een hele fijne schrijfstijl en het verhaal is zo interessant, dat ik door de pagina’s heen vloog. Het is alsof je een kijkje mag nemen in het hoofd van een jonge vrouw met Asperger, die depressief is en regelmatig hallucineert. Het lijkt me zo ontzettend heftig om depressief en autistisch te zijn en ik kan me eigenlijk niet voorstellen hoe dit zou moeten voelen.
Heb jij PAAZ en UP van Myrthe van der Meer ook gelezen? Ik ben erg benieuwd wat jouw mening over de boeken is. In het kader van de naderende Boekenweek en de Nationale week van zorg & welzijn, kan ik de boeken van Myrthe van der Meer aan iedereen aanraden.
Liefs,
Nynke-Boudien
100 jaar eenzaamheid
Auteur:Gabriel García Márquez (Aracataca, 6 maart 1927 – Mexico, 17 april 2014), ook Gabo genoemd, was een Colombiaans schrijver en winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur. Hij was tevens een publicist, journalist en politiek activist. García Márquez werd gezien als het gezicht en belangrijkste exponent van het magisch realisme, hoewel zijn schrijfstijl daar niet helemaal in valt te plaatsen.
Informatie:Honderd jaar eenzaamheid (Spaans: Cien años de soledad) is een roman van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez, in het Nederlands vertaald door C.A.G. van den Broek. Het boek is een kroniek van de familie Buendía, waarvan de stamvader het stadje Macondo stichtte. Over verschillende generaties heen wordt de familiegeschiedenis van de Buendía's verteld, waarbij realistische elementen vermengd worden met magische gebeurtenissen en visionaire droomsequenties.
Sinds de eerste uitgave in het Spaans in 1967 zijn er ongeveer 30 miljoen exemplaren verkocht. In 1972 verscheen de Nederlandse vertaling bij uitgever Meulenhoff. De roman geldt als een van de belangrijkste werken van het magisch realisme en een hoogtepunt van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Het is een verhaal boordevol anekdotes over zinloze opstanden, corruptie, vliegende priesters, alchemisten en een stamvader die echt vastgebonden aan een stam, volslagen krankzinnig, een bovenmenselijke ouderdom bereikt.
Productinformatie:Auteur: Gabriel García Márquez
Orginele titel: Cien años de soledad
Land: Colombia
Taal: Spanish
Genre: Magic realism, novel
Uitgeverij: Harper & Row (US)
Datum: 1967
Samenvatting:In de eerste jaren nadat de stad Macondo is gesticht hebben de inwoners totaal geen contact met de buitenwereld, afgezien van met een stel zigeuners die af en toe het stadje komen bezoeken.
Het hoofd van het gezin, José Arcadio Buendiá, is een leiderfiguur in Macondo die zichzelf afzondert van andere mannen en het grootste deel van zijn tijd doorbrengt in zijn ‘laboratorium’ om mysterieuze zaken te onderzoeken. José is een leergierige, impulsieve en solitaire persoonlijkheid. Deze karaktereigenschappen komen door het hele boek heen terug, geërfd door nakomelingen van José Arcadio Buendiá.
Het dorp Macondo verandert langzaam van een geïsoleerde, onschuldige en magische plek in een stad. Meer contact met andere dorpen zorgt ervoor dat burgeroorlogen met hun geweld en dood ook Macondo bereiken. Aureliano wordt kolonel in het leger van de liberale rebellen en Macondo wordt via hem genadeloos bij de burgeroorlogen betrokken.
Op een zeker moment wordt Arcadio, een harteloze Buendiá, burgemeester van de stad. Hij voert een dictatoriaal regime en wordt uiteindelijk geëxecuteerd en opgevolgd door een vredelievende burgemeester. Deze burgemeester wordt ook vermoord, vlak na zijn dood wordt een overeenkomst getekend dat het einde van de burgeroorlogen betekent.
Het volgende deel van het boek beschrijft de levens, sterfgevallen, trouwerijen, geboortes en affaires van de Buendiá’s over een periode van meer dan een eeuw. Sommige van de mannelijke Buendiá’s leven wilde levens, bordeelbezoeken en seks nemen hierin een belangrijke plaats in, anderen zijn stil en op zichzelf gericht. In de karakters van de Buendia’s die beschreven worden in dit deel van het boek is veel terug te vinden van de eerste José Arcadio Buendiá. De vrouwen in dit deel van het boek variëren ook erg, van Meme, die 72 vrienden uitnodigt voor een feest, tot Fernanda del Carpio, die een nachtjapon draagt met een gat bij haar kruis zodat haar man haar lichaam niet hoeft te zien als ze seks hebben.
De familie Buendiá kent vele onderlinge verschillen, toch wordt deze bij elkaar gehouden met dank aan één vrouw: Ursula Iguarán, maar ondanks haar inzet zijn de krachten van de moderne tijd net als voor het dorp te sterk voor de familie. Het kapitalisme bereikt Macondo via een bananenplantage die werknemers, inwoners van Macondo, uitbuit. De werknemers beginnen een staking die bruut wordt neergeslagen door het leger, de duizenden doden die vallen worden in zee gedumpt. Een vijf jaar durende regenbui begint, deze luidt het verval van de stad in.
Macondo vervalt en de familie Buendiá ondergaat hetzelfde lot. Het einde van het boek is als het begin; Macondo is weer een klein, geïsoleerd dorpje. De overgebleven Buendiá’s keren in zichzelf en richten zich, gedoemd uit te sterven, incestueus tot elkaar. In de laatste scène van het boek vertaalt de laatst overgebleven Buendiá een manuscript waarin het hele verhaal wordt beschreven; een vooraf bepaalde geschiedenis vol schoonheid en verdriet.
Recensie:Recensie 1
Gabriel García Márquez was niet de eerste bekende Zuid-Amerikaanse auteur noch de meest vernieuwende. Maar dankzij boeken alsHonderd jaar eenzaamheid en Liefde in tijden van cholera wordt hij wel gezien als de grootste. Zijn stijl is zijn grootste handelsmerk, een stijl die zich laat typeren als ‘realisme gemengd met magische gebeurtenissen’, maar de auteur alleen om zijn stijl roemen zou hem tekort doen. Met zijn boeken schetste hij namelijk de geschiedenis van zijn continent en creëerde hij onvergetelijke personages.
Koop dit boek: Hardcover
Een groepje mannen verlaat met hun gezin hun geboorteplaats en sticht ergens in the middle of nowhere een nieuwe nederzetting: Macondo. Een van de stichters is José Arcadio Buendía, en hij wordt de stamvader van een familie die je bijna 500 pagina’s lang in je greep zal houden. De inwoners van Macondo leven behoorlijk afgezonderd van de rest van het land, slechts zo nu en dan komt een groep zigeuners met nieuws van buiten, bovendien brengen ze allerlei wonderlijke uitvindingen mee die nog niet tot het dorp waren doorgedrongen. Zo demonstreert een van hen de magneet: “Hij ging van huis tot huis en sleepte daarbij twee metalen staven met zich mee en iedereen zag tot zijn stomme verbazing hoe potten en pannen, tangen en stoven van hun plaats kwamen, hoe de planken kraakten onder de wanhopige pogingen van spijkers en schroeven om zich los te wrikken en hoe sinds lang vermiste voorwerpen opdoken op plaatsen waar men ze het meest had gezocht en zich in een rumoerige warboel achter de magische staven van Melquíades aan sleepten.”
Maar als de overheid zich met het plaatsje gaat bemoeien gaat het onherroepelijk mis. Er wordt een burgemeester gestuurd, er worden verkiezingen georganiseerd, en langzaam nestelt zich een opstandige geest in het dorp. Aureliano Buendía, de zoon van José Arcadio, werpt zich op als de leider van de revolutie en hij brengt een leger op de been. De kolonel groeit uit tot een nationale held en Macondo wordt even het centrum van het land. Maar dat duurt niet lang, de inwoners van Macondo krijgen al snel andere zaken om zich druk om te maken.
In de ruim honderd jaar die het boek omspant maken we kennis met diverse leden van de familie Buendía. Omdat ze de neiging hebben hun kinderen steeds dezelfde namen te geven, komen er vele verschillende Aureliano’s en José Arcadio’s voor. De stamboom aan het begin van het boek komt dan ook erg goed van pas, want het is niet altijd even makkelijk iedereen uit elkaar te halen. Dat is ongetwijfeld ook een van de trucjes uit de doos van Marquez om een sfeer van ondoordringbaarheid te maken, en wijst op de cirkelvormige geschiedenis van de familie. Alles is met elkaar verbonden, elke generatie erft van de vorige. Bovendien heeft Macondo te maken met nogal wat inteelt, zoons die het met moeders, tantes en zussen doen – niet voor niets is het de angst van Úrsula, de vrouw van José Arcadio, dat er ooit nog eens zoontjes met duivelsstaartjes geboren worden.
Alles bij elkaar is de wereld van Macondo behoorlijk krankzinnig te noemen. Het dorp zit vol met gedenkwaardige personages, zoals een aarde etende jonge vrouw, gezinsleden die zich jarenlang niet laten zien, een bekoorlijke vrouw die jonge mannen met haar geur aantrekt, mannen die met een al jarenlang dode zigeuner praten, een vrouw die plotseling ten hemel opstijgt. Veel gebeurtenissen in het boek lijken te fantastisch om waar te zijn, maar de auteur brengt ze zo meeslepend dat je wel mee moet gaan en bijna gaat geloven dat het echt zo is gegaan, als in een parallel universum waar andere natuurwetten gelden.
Als er een manco genoemd moet worden dan is het misschien het feit dat er vooral in de tweede helft van het boek sprake is van een aflopende spanningsboog. Maar ook dan zijn de bloemrijke taal, de bijzondere mensen en de wonderbaarlijke gebeurtenissen nog genoeg reden om tot het einde toe door te willen lezen.
Honderd jaar eenzaamheid / Gabriel García Márquez / Vertaling: C.A.G. van den Broek /
Recensie 2
Famous First Words - Honderd jaar eenzaamheid
Dinsdag 16 oktober 2012
In de tweewekelijkse rubriek Famous First Wordsstaan beroemde eerste zinnen uit de wereldliteratuur centraal. Deze week meerdere eerste zinnen van Gabriel García Márquez:
‘Vele jaren later, staande voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendía denken aan die lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs.’'
Zo luidt de eerste zin van Honderd jaar eenzaamheid, de omvangrijke roman uit 1967 van Gabriel García Márquez die nog steeds gezien wordt als zijn belangrijkste werk. Deze eerste zin is een kenmerkende voor de Colombiaanse schrijver: in veel eerste zinnen van zijn romans is de dood meteen aanwezig, tastbaar als dreiging of toch minstens als geur. Zie bijvoorbeeld de eerste zin van Kroniek van een aangekondigde dood (1981): ‘Op de dag dat ze hem zouden doden, stond Santiago Nasar om 5 uur 30 ‘s morgens op om de komst van de boot, waarmee de bisschop zou arriveren, af te wachten.’
De eerste zin van een roman is voor veel auteurs van groot belang, maar voor García Márquez is hij zelfs een ‘laboratorium’ waarin stijl, structuur en lengte van een boek worden bepaald. Een van de leden van de Famous First Words Leesgroep wijst op nog een andere bijzondere openingszin van de grote Colombiaanse auteur, namelijk die van Liefde in tijden van cholera (1985), waarin dood en verlies eveneens doorklinken: ‘Het was onvermijdelijk: de geur van bittere amandelen deed hem altijd denken aan het lot van gedwarsboomde liefdes.’
Magisch-realisme
Honderd jaar eenzaamheid is de kroniek van zes generaties van de familie Buendía en van de stichting, bloei en ondergang van het dorp Macondo, García Márquez’ literaire verbeelding van zijn geboortedorp Aracataca. Tegelijk is het een mythische geschiedenis van het hele Zuidamerikaanse continent, naar Bijbels model van Genesis tot Zondeval. Het mythische karakter wordt versterkt door de vermenging van de herkenbare werkelijkheid met het magische en irrationele. Dit magisch-realisme met zijn spectaculaire beelden en droombeschrijvingen wordt, door de navolging die deze roman kreeg, sindsdien beschouwd als kenmerkend voor de Latijns-Amerikaanse literatuur.
In tegenstelling tot diverse andere boeken van García Márquez werd Honderd jaar eenzaamheid nooit verfilmd, al was de laatste speelfilm van de Japanse regisseur Shuji Terayama (1935-1983), getiteld Saraba hakobune (Farewell to the Ark), een zeer vrije bewerking van thema’s uit de roman.
De eenzaamheid van de machtige
Generaal Aureliano Buendía is een voor García Márquez typerend personage: eens machtig, maar nu, in de fase voorafgaand aan zijn dood, tragisch in zijn eenzaamheid en betekenisloosheid. Vergelijkbaar is de hoofdpersoon in De herfst van de patriarch(1975), door de auteur een ‘gedicht over de eenzaamheid van de machtige’ genoemd. In een interview met Aad van den Heuvel in Bzzlletin (1990) noemde García Márquez deze roman zijn meest autobiografische boek. Zijn verklaring daarvoor: ‘Ik schreef dit boek op een moment dat de roem van Honderd jaar eenzaamheid mij dreigde in te kapselen. En ik begon mij er rekenschap van te geven waar deze faam, als ik niet zou oppassen, kon eindigen. Bij de ijskoude eenzaamheid van de macht.’
Varen naar de hemel
In Nederland betekende het verschijnen van Honderd jaar eenzaamheid in 1972 het begin van een periode van grote belangstelling voor de Latijns-Amerikaanse literatuur. Na dat jaar verscheen ook García Márquez’ oudere werk in vertaling en volgden de vertalingen van nieuw werk steeds sneller op het origineel. In het kielzog van het succes van García Márquez kwam ook het werk van een groot aantal andere Latijnsamerikaanse auteurs in het Nederlands beschikbaar.
Internationaal bereikte de waardering voor García Márquez’ werk een hoogtepunt met de toekenning van de Nobelprijs voor literatuur in 1982. Naar aanleiding van de uitreiking van de prijs schreef de Curaçaose auteur Boeli van Leeuwen in januari 1983 een artikel over García Márquez in de krant Napa. Zijn bijdrage besloot hij met het onder woorden brengen van zijn leeservaring: ‘Márquez lezen betekent: ontdekken dat bloemen op u neer zullen regenen en vlinders om uw hoofd zullen fladderen, ja dat u naar de hemel kunt varen omdat alles in dit leven een wonder is.’
NBD Biblion recensie van Honderd jaar eenzaamheid
De beroemdste roman van de Colombiaanse winnaar van de Nobelprijs voor literatuur 1982. José Arcadio Buendia is 24 als hij het dorp Macondo sticht, ergens in Zuid-Amerika. Op zeer hoge leeftijd sterft hij als een krankzinnige. Zijn zoon Aureliano neemt de leiding over en vol verlangen om sociale misstanden te verbeteren ontketent hij tal van revoluties. Het dorp groeit uit tot een stad dankzij een grote bananenplantage. Stakingen dwingen de firma echter de exploitatie te staken. Radicale veranderingen, die in vele generaties Buendia worden doorgevoerd, zijn niet in staat Macondo te redden. Een uiterst spannend boek dat in fictie de trieste realiteit schetst van het Zuid-Amerikaanse volk.
Gabriel García Márquez was niet de eerste bekende Zuid-Amerikaanse auteur noch de meest vernieuwende. Maar dankzij boeken alsHonderd jaar eenzaamheid en Liefde in tijden van cholera wordt hij wel gezien als de grootste. Zijn stijl is zijn grootste handelsmerk, een stijl die zich laat typeren als ‘realisme gemengd met magische gebeurtenissen’, maar de auteur alleen om zijn stijl roemen zou hem tekort doen. Met zijn boeken schetste hij namelijk de geschiedenis van zijn continent en creëerde hij onvergetelijke personages.
‘Vele jaren later, staande voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendía denken aan die lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs.’'
Zo luidt de eerste zin van Honderd jaar eenzaamheid, de omvangrijke roman uit 1967 van Gabriel García Márquez die nog steeds gezien wordt als zijn belangrijkste werk. Deze eerste zin is een kenmerkende voor de Colombiaanse schrijver: in veel eerste zinnen van zijn romans is de dood meteen aanwezig, tastbaar als dreiging of toch minstens als geur. Zie bijvoorbeeld de eerste zin van Kroniek van een aangekondigde dood (1981): ‘Op de dag dat ze hem zouden doden, stond Santiago Nasar om 5 uur 30 ‘s morgens op om de komst van de boot, waarmee de bisschop zou arriveren, af te wachten.’
De eerste zin van een roman is voor veel auteurs van groot belang, maar voor García Márquez is hij zelfs een ‘laboratorium’ waarin stijl, structuur en lengte van een boek worden bepaald. Een van de leden van de Famous First Words Leesgroep wijst op nog een andere bijzondere openingszin van de grote Colombiaanse auteur, namelijk die van Liefde in tijden van cholera (1985), waarin dood en verlies eveneens doorklinken: ‘Het was onvermijdelijk: de geur van bittere amandelen deed hem altijd denken aan het lot van gedwarsboomde liefdes.’
Magisch-realisme
Honderd jaar eenzaamheid is de kroniek van zes generaties van de familie Buendía en van de stichting, bloei en ondergang van het dorp Macondo, García Márquez’ literaire verbeelding van zijn geboortedorp Aracataca. Tegelijk is het een mythische geschiedenis van het hele Zuidamerikaanse continent, naar Bijbels model van Genesis tot Zondeval. Het mythische karakter wordt versterkt door de vermenging van de herkenbare werkelijkheid met het magische en irrationele. Dit magisch-realisme met zijn spectaculaire beelden en droombeschrijvingen wordt, door de navolging die deze roman kreeg, sindsdien beschouwd als kenmerkend voor de Latijns-Amerikaanse literatuur.
In tegenstelling tot diverse andere boeken van García Márquez werd Honderd jaar eenzaamheid nooit verfilmd, al was de laatste speelfilm van de Japanse regisseur Shuji Terayama (1935-1983), getiteld Saraba hakobune (Farewell to the Ark), een zeer vrije bewerking van thema’s uit de roman.
De eenzaamheid van de machtige
Generaal Aureliano Buendía is een voor García Márquez typerend personage: eens machtig, maar nu, in de fase voorafgaand aan zijn dood, tragisch in zijn eenzaamheid en betekenisloosheid. Vergelijkbaar is de hoofdpersoon in De herfst van de patriarch(1975), door de auteur een ‘gedicht over de eenzaamheid van de machtige’ genoemd. In een interview met Aad van den Heuvel in Bzzlletin (1990) noemde García Márquez deze roman zijn meest autobiografische boek. Zijn verklaring daarvoor: ‘Ik schreef dit boek op een moment dat de roem van Honderd jaar eenzaamheid mij dreigde in te kapselen. En ik begon mij er rekenschap van te geven waar deze faam, als ik niet zou oppassen, kon eindigen. Bij de ijskoude eenzaamheid van de macht.’
Varen naar de hemel
In Nederland betekende het verschijnen van Honderd jaar eenzaamheid in 1972 het begin van een periode van grote belangstelling voor de Latijns-Amerikaanse literatuur. Na dat jaar verscheen ook García Márquez’ oudere werk in vertaling en volgden de vertalingen van nieuw werk steeds sneller op het origineel. In het kielzog van het succes van García Márquez kwam ook het werk van een groot aantal andere Latijnsamerikaanse auteurs in het Nederlands beschikbaar.
Internationaal bereikte de waardering voor García Márquez’ werk een hoogtepunt met de toekenning van de Nobelprijs voor literatuur in 1982. Naar aanleiding van de uitreiking van de prijs schreef de Curaçaose auteur Boeli van Leeuwen in januari 1983 een artikel over García Márquez in de krant Napa. Zijn bijdrage besloot hij met het onder woorden brengen van zijn leeservaring: ‘Márquez lezen betekent: ontdekken dat bloemen op u neer zullen regenen en vlinders om uw hoofd zullen fladderen, ja dat u naar de hemel kunt varen omdat alles in dit leven een wonder is.’
NBD Biblion recensie van Honderd jaar eenzaamheid
De beroemdste roman van de Colombiaanse winnaar van de Nobelprijs voor literatuur 1982. José Arcadio Buendia is 24 als hij het dorp Macondo sticht, ergens in Zuid-Amerika. Op zeer hoge leeftijd sterft hij als een krankzinnige. Zijn zoon Aureliano neemt de leiding over en vol verlangen om sociale misstanden te verbeteren ontketent hij tal van revoluties. Het dorp groeit uit tot een stad dankzij een grote bananenplantage. Stakingen dwingen de firma echter de exploitatie te staken. Radicale veranderingen, die in vele generaties Buendia worden doorgevoerd, zijn niet in staat Macondo te redden. Een uiterst spannend boek dat in fictie de trieste realiteit schetst van het Zuid-Amerikaanse volk.
Erik of het klein insecten boek
Auteur:Godfried Jan Arnold Bomans (Den Haag, 2 maart 1913 – Bloemendaal, 22 december 1971) was een Nederlandse schrijver, columnist en mediapersoonlijkheid.
Bomans was vele jaren de meest gelezen schrijver van Nederland. Hij heeft meer dan 60 boeken en vele andere geschriften op zijn naam staan. Hij heeft tijdens zijn leven weinig officiële erkenning gekregen, in ieder geval niet in de vorm van een literaire prijs. De literaire kritiek weet nog altijd niet goed wat ze met hem aan moet.
Godfried Bomans werd bij het grote publiek vooral populair door zijn roman Erik of het klein insectenboek (tien drukken in het verschijningsjaar 1941) en na de Tweede Wereldoorlog met de strip Pa Pinkelman in de Volkskrant en weer wat later met zijn columns op de voorpagina van die krant, zijn stukken in Elsevier en zijn radio- en tv-optredens. In oktober 2000 schonk de weduwe van Godfried Bomans zijn archief aan het Nederlands Letterkundig Museum.
Informatie:Erik of het klein insectenboek is een boek van de Nederlandse schrijver Godfried Bomans, geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Erik of het klein insectenboek is voor het eerst verschenen in 1941 en beleefde in 2013 zijn 60e druk.
Productinformatie:Auteur: Godfried Bomans
Illustrator: Karel Thole
Uitgever: Het Spectrum, Utrecht
Uitgegeven: 1941
Pagina's: 221
Verfilming: Erik of het klein insectenboek
Samenvatting:Erik Pinksterblom ligt in zijn bed, maar hij probeert niet in slaap te vallen, omdat hij het gevoel heeft dat er iets bijzonders gaat gebeuren. In gedachten herhaalt hij wat hij die middag geleerd heeft uit ‘Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie’, want de volgende dag heeft hij een proefwerk over de insecten. Hij bekijkt het schilderij ‘Wollewei’, waarop een weiland met schapen, een herder en allerlei mogelijke insecten staan afgebeeld. Erik bedenkt dat het fijn zou zijn om in de wereld van het schilderij te leven; er zijn immers geen verplichtingen. Opeens ziet hij de schilderijen van grootvader en grootmoeder Pinksterblom bewegen. Zijn grootmoeder stapt uit haar lijst en vertelt hem dat alle schilderijen leven, ook ‘Wollewei’. Dan wordt Erik plotseling steeds kleiner, zo klein dat hij in het schilderij kan stappen. Zo komt hij terecht in de wereld van het schilderij, het land Wollewei.
Hier ontmoet Erik allerlei insecten. Als eerste komt hij in contact met de wespenfamilie Van Vliesvleugel, een adellijke familie die benadrukt dat het hebben van adellijk bloed belangrijker is dan het hebben van geld (hoewel dat natuurlijk wel handig is). Na een gezamenlijke maaltijd vliegt Erik per hommel naar een hotel, waar hij de nacht kan doorbrengen. De eigenaar van het hotel is een slak en het hotel zelf is het huis van een reuzenslak uit de ijstijd. Erik verbaast de hotelgasten door, zonder dat ze zich voorgesteld hebben, te weten wie ze zijn. Ze zijn allemaal erg benieuwd naar de inhoud van ‘Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie’: doen ze het wel zoals het in het boekje staat? Maar al snel zijn de insecten weer slechts geïnteresseerd in zichzelf. Dan ontmoet Erik een vlinder, die erg aardig blijkt te zijn. Hij neemt de vlinder in vertrouwen en deze belooft dat hij Erik zal helpen bij het terugvinden van de lijst van het schilderij. Samen hebben ze een erg plezierige tijd, maar de lijst vinden ze niet. De vlinder verlaat Erik als hij verliefd wordt op een vlindermeisje en kort daarna met haar trouwt. Erik is weer alleen. Hij heeft honger, en hoe havenlozer hij eruit ziet, hoe brutaler de insecten zich tegen hem gedragen. Dan ontmoet hij een doodgraver, die hem uitnodigt voor de maaltijd.
De familie wordt echter opgegeten door een mol en Erik vervolgt zijn zwerftocht weer. Hij ontmoet een regenworm, die zo kronkelt dat hij een onontwarbare knoop in zichzelf legt, en komt in contact met een grote mierenkolonie. Hier wordt hij gastvrij onthaald; de mieren hebben al over hem gehoord en zijn benieuwd naar zijn kennis uit Solms. Erik blijft een tijdje bij de mieren, maar tijdens een feestelijke maaltijd wordt het hem teveel. Hij begint te huilen van heimwee. De mieren beloven hem dan te helpen met het vinden van de lijst. Met z’n allen trekken ze er de volgende dag op uit. Echter, onderweg komen ze een ander mierenleger tegen en er ontstaat een veldslag. Tijdens het gevecht krijgt Erik een straal mierenzuur in zijn ogen…en als hij zijn ogen weer opendoet, zit hij rechtop in zijn bed. Het lijkt een droom te zijn geweest: de schilderijen houden zich roerloos, geen van zijn huisgenoten heeft hem gemist en het proefwerk over insecten heeft hij diezelfde dag. Dit proefwerk maakt hij echter erg slechts, omdat hij dingen opschrijft die niet in Solms staan. Erik hoopt dat hij ooit nog eens terug mag gaan naar de wereld van ‘Wollewei’, maar het wonder gebeurt nooit weer.
Recensie:Recensie 1
Erik of het klein insectenboek
Auteur: Godfried Bomans
Hoewel ik opgroeide in een gereformeerd gezin, stond Godfried Bomans bij ons thuis in de boekenkast. Opmerkelijk in dat verzuilde Nederland van de jaren zestig. Maar de rooms-katholieke Bomans ‘kon’. Zijn erudiete oubolligheid paste perfect bij mijn vader, hoofd van een ‘school met den bijbel.’
Godfried Bomans was bij een groot publiek populair, hij was de eerste schrijver die veel op tv verscheen bijvoorbeeld, maar in de literaire wereld beklijfde hij niet. Een talent, maar helaas niet aan het echt grote literaire werk toegekomen, te ijdel en te versnipperd, luidde het oordeel. En ja, wie leest hem nog?
Nou wij dus allemaal, als het aan de CPNB ligt. Daar hebben ze een fijne neus, bij het kiezen van het jaarlijkse ‘Nederland Leest-boek’. Het is altijd zo’n boek dat je lang geleden las, en dat je waarschijnlijk nooit meer uit de kast had gehaald. En voor jongeren is het een ideale manier om met een schrijver kennis te maken. (Lekker dun boekje, na Het puttertje van vorige week kwam het mij ook wel uit, maar dit terzijde). Erik of het klein insectenboek. Ja, dat hij héél klein werd wist ik nog en dat hij in de insectenwereld terechtkwam, maar verder… ik was vergeten dat hij daar terechtkomt via een schilderij dat boven zijn bed hangt. ‘
Nu de reuzenzwaai uit de gymnastiekles’ prevelde Erik. Hij klemde zijn tanden opeen, pakte de onderlijst met beide handen beet, en…tjoep! in een boogje vloog hij over de lijst en viel in het frisse, zachte gras.’
De eerste met wie hij kennismaakt is de familie wesp, die van adel is. Dan wordt hij door een hommel gedropt in een hotel, dat gerund wordt door een slak. ‘Maar hoe héét het? Kijk dat is nu de grote vraag,’ antwoordde de slak, ‘daar zijn we nu al tien jaar over aan het nadenken.’ En zo leert hij de mieren, wormen, kevers en vlinders kennen, allemaal met hun eigenaardigheden, die verdacht veel op die van mensen lijken.
Het grappige is dat de negenjarige Erik zijn kennis over de insecten haalt uit een schoolboekje Solms’ beknopte natuurlijke historie. Daardoor wordt hij gezien als iemand die beter weet dan de insecten zelf hoe ze zich moeten gedragen. Terwijl een instinct Erik zelf zo handig lijkt!! Er zitten wel meer geestige ‘omkeringen’ in. Zo vindt de doodgraver dat dieren dood horen te zijn. Als Erik zegt dat hij voorlopig niet van plan is dood te gaan, zegt hij glimlachend: ‘zegt u dat niet al te vlug. Het geval kan nog een gunstige wending nemen. (…) Ik zeg altijd maar: zolang er leven is, is er hoop.’
Grappig? Ja, best grappig. Het sprookje is nog steeds leuk om te lezen, maar het is geen verpletterend meesterwerk. Bedenk dat Bomans een 26-jarige student was toen hij het schreef. Het was meteen een succes en is eindeloos herdrukt. De diverse voorwoorden staan achter in het boekje. Als je die tijd echt wil proeven, moet je die lezen. Over oubollig gesproken!!! Daarbij vergeleken is Erik ‘superfris’
Recensie 2
Godfried Bomans was bij een groot publiek populair, hij was de eerste schrijver die veel op tv verscheen bijvoorbeeld, maar in de literaire wereld beklijfde hij niet. Een talent, maar helaas niet aan het echt grote literaire werk toegekomen, te ijdel en te versnipperd, luidde het oordeel. En ja, wie leest hem nog?
De eerste met wie hij kennismaakt is de familie wesp, die van adel is. Dan wordt hij door een hommel gedropt in een hotel, dat gerund wordt door een slak. ‘Maar hoe héét het? Kijk dat is nu de grote vraag,’ antwoordde de slak, ‘daar zijn we nu al tien jaar over aan het nadenken.’ En zo leert hij de mieren, wormen, kevers en vlinders kennen, allemaal met hun eigenaardigheden, die verdacht veel op die van mensen lijken.
Het grappige is dat de negenjarige Erik zijn kennis over de insecten haalt uit een schoolboekje Solms’ beknopte natuurlijke historie. Daardoor wordt hij gezien als iemand die beter weet dan de insecten zelf hoe ze zich moeten gedragen. Terwijl een instinct Erik zelf zo handig lijkt!! Er zitten wel meer geestige ‘omkeringen’ in. Zo vindt de doodgraver dat dieren dood horen te zijn. Als Erik zegt dat hij voorlopig niet van plan is dood te gaan, zegt hij glimlachend: ‘zegt u dat niet al te vlug. Het geval kan nog een gunstige wending nemen. (…) Ik zeg altijd maar: zolang er leven is, is er hoop.’
Erik of het klein insectenboek
Trage avonturen van Erik in de Wollewei
Een van de geneugten van literatuur is de ruimte die romans laten aan de eigen fantasie. Wanneer Godfried Bomans in Erik, of het klein insectenboek zijn hoofdpersoon Erik een schilderij van een weiland in laat lopen, dan gaan bij een lezer de luiken open. Eriks ontmoetingen met hommels, mieren, wespen en vlindervrouwtjes vinden plaats in het hoofd van de lezer, die Bomans' speelse proza in beelden omzet. Wie Erik, of het klein insectenboek leest, wordt uitgenodigd zijn dromen en fantasieën bot te vieren.
In de verfilming van Gidi van Liempd komt het schilderij Wollewei daadwerkelijk tot leven. De filosofische hommel heeft de guitige snoet van Jörgen Raymann gekregen, Mevrouw Mug is behept met de hoekige gestiek van Georgina Verbaan, en de lieveheersbeestjes zijn hier een creatie van Plien & Bianca.
Van Liempd, normaal werkzaam in de hoek van commercials en opdrachtfilms, maakt gretig gebruik van de mogelijkheden die computeranimatie hem biedt. In het wellustig gedecoreerde Wollewei vliegen insecten af en aan, de grote regenworm (Serge-Henri Valcke) is in staat met zijn staart zijn gezicht aan te raken, en vlinders knuffelen elkaar teder in de kelk van een bloem.
Dat is aardig, maar niet genoeg. Het probleem is dat er in Wollewei verder niet zoveel gebeurt. Erik, van het spoor geraakt na de dood van zijn vader, ontmoet de dieren die hij leerde kennen in het studieboek Beknopte Natuurlijke Historie; hij krijgt hier en daar wat ruzie; er is een soort van achtervolging. Dat is het. Van een echte spanningsopbouw is geen sprake. Van een nieuwsgierigmakende verhaallijn evenmin.
Erik, of het klein insectenboek heeft de ambitie trouw te blijven aan het boek, al is de wereld buiten het schilderij aan de hedendaagse tijd aangepast. Het bindmiddel tussen Eriks fantasie en het echte leven vormt Opa Erik, die met een fles rode wijn binnen handbereik werkt aan een tekst voor de spreekbeurt die Erik de volgende dag op school moet houden.
Opa's schrijfproces loopt parallel aan Eriks avonturen in Wollewei - een simpele raamvertelling waarin Van Liempd en diens scenarioschrijver Cecilië Levy blijkbaar weinig vertrouwen hebben; regelmatig wordt er tussen Wollewei en opa's werkkamer heen en weer geschakeld, om duidelijk te maken dat hier sprake is van een fantasiewereld én een realistische wereld.
Deze keuze haalt het tempo eruit. Daardoor wordt de film houterig en doet hij ouderwets aan. De neiging alles uit te leggen is bovendien overbodig; er is in 2004 geen kind meer te bekennen dat moeite heeft om tussen verschillende verhaalniveau's - levels noemen ze dat - heen en weer te schakelen.
Erik, of het klein insectenboek is zo'n productie waar de beste bedoelingen van afdruipen. Er zit veel passie in de schepping van Wollewei. Het slakkenhotel ziet er met zijn parelmoeren wanden breekbaar uit, en het klamme, donkere hol van de doodgravers heeft een beklemmende sfeer. Maar wat duurt het allemaal lang, en wat zijn de dialogen log zodra vragen over Eriks identiteit - Bomans' speerpunt - aan bod komen.
Van Liempds energie is gaan zitten in de effecten en de geloofwaardigheid. Dat heeft fnuikende gevolgen voor de verteerbaarheid van deze oubollige parade.
Van Liempd, normaal werkzaam in de hoek van commercials en opdrachtfilms, maakt gretig gebruik van de mogelijkheden die computeranimatie hem biedt. In het wellustig gedecoreerde Wollewei vliegen insecten af en aan, de grote regenworm (Serge-Henri Valcke) is in staat met zijn staart zijn gezicht aan te raken, en vlinders knuffelen elkaar teder in de kelk van een bloem.
Dat is aardig, maar niet genoeg. Het probleem is dat er in Wollewei verder niet zoveel gebeurt. Erik, van het spoor geraakt na de dood van zijn vader, ontmoet de dieren die hij leerde kennen in het studieboek Beknopte Natuurlijke Historie; hij krijgt hier en daar wat ruzie; er is een soort van achtervolging. Dat is het. Van een echte spanningsopbouw is geen sprake. Van een nieuwsgierigmakende verhaallijn evenmin.
Erik, of het klein insectenboek heeft de ambitie trouw te blijven aan het boek, al is de wereld buiten het schilderij aan de hedendaagse tijd aangepast. Het bindmiddel tussen Eriks fantasie en het echte leven vormt Opa Erik, die met een fles rode wijn binnen handbereik werkt aan een tekst voor de spreekbeurt die Erik de volgende dag op school moet houden.
Opa's schrijfproces loopt parallel aan Eriks avonturen in Wollewei - een simpele raamvertelling waarin Van Liempd en diens scenarioschrijver Cecilië Levy blijkbaar weinig vertrouwen hebben; regelmatig wordt er tussen Wollewei en opa's werkkamer heen en weer geschakeld, om duidelijk te maken dat hier sprake is van een fantasiewereld én een realistische wereld.
Deze keuze haalt het tempo eruit. Daardoor wordt de film houterig en doet hij ouderwets aan. De neiging alles uit te leggen is bovendien overbodig; er is in 2004 geen kind meer te bekennen dat moeite heeft om tussen verschillende verhaalniveau's - levels noemen ze dat - heen en weer te schakelen.
Erik, of het klein insectenboek is zo'n productie waar de beste bedoelingen van afdruipen. Er zit veel passie in de schepping van Wollewei. Het slakkenhotel ziet er met zijn parelmoeren wanden breekbaar uit, en het klamme, donkere hol van de doodgravers heeft een beklemmende sfeer. Maar wat duurt het allemaal lang, en wat zijn de dialogen log zodra vragen over Eriks identiteit - Bomans' speerpunt - aan bod komen.
Van Liempds energie is gaan zitten in de effecten en de geloofwaardigheid. Dat heeft fnuikende gevolgen voor de verteerbaarheid van deze oubollige parade.
Mandarijnen op zwavel zuur
Auteur:Willem Frederik Hermans (1921-1995) heeft een belangrijk stempel gedrukt op de Nederlandse literatuur. Zijn naoorlogse romans schokten het publiek door de cynische inhoud. Daarnaast stond Hermans bekend als een felle schoolmeester, iemand die anderen graag en onbarmhartig de les las. Zijn werk stond in het teken van de idee dat de werkelijkheid niet objectief te begrijpen is. Naast vele romans en beschouwingen schreef Hermans korte verhalen, poëzie en toneel. Sinds 2005 wordt al zijn verschenen en ongebundelde werk uitgebracht in de Volledige Werken.
Informatie:Mandarijnen op zwavelzuur heeft Hermans een bepaalde reputatie bezorgd. ‘Het beest uit Haren’, ‘Willem de Verschrikkelijke’ en ‘De beul uit Parijs’ zijn termen die in de kritiek met betrekking tot deze polemicus gebezigd zijn, en die zijn reputatie op welsprekende manier aanduiden. Mandarijnen wekt bewondering of afkeer, nog steeds. Afkeer vanwege het polemische geweld dat erin wordt uitgevoerd, bewondering vanwege de extreme onafhankelijkheid die de auteur demonstreert.
Productinformatie:Auteur: Hermans, Willem Frederik
Jaar uitgave:1963
Uitgeverij: Thomas Rap
Plaats: Amsterdam
Aantal pagina's: 278
Genre: polemiek, satire
Samenvatting:Er zijn geen samenvattingen in omloop van Mandarijnen op zwavelzuur, dit komt waarschijnlijk doordat het een essaybundel is en het dus lastig is samen te vatten.
Recensie:Recensie 1
Dit is een van de meest irritante, giftige en boeiende boeken die de Nederlandse literatuur kent. Het is een meedogenloos roddelboek over de inteelt en incompetentie van de Nederlandse literatoren en recensenten. Vrijwel iedereen die iets betekent in het literaire wereldje staat er-in, in zijn hemd. Wie er niet in voorkomt moet zich helemaal schamen: hij is er te onbenullig voor bevonden. Gelukkig is er nog een goede schrijver: Hermans. Dit boek is de verzameling van beschouwingen, commentaren, kritieken, polemieken, verdachtmakingen, verweerschriften en scheldkanonnades van vooral Hermans zelf, die sinds zijn debuut verschenen in alle mogelijke bladen en bij allerlei gelegenheden. Voor een goed begrip van Hermans' levens- en kunstopvattingen en zijn werk is dit boek vrijwel onmisbaar.
(NBD|Biblion recensie, H.G. de Boois)
Recensie 2
vrijdag 2 december 2005
(NBD|Biblion recensie, H.G. de Boois)
Geraas, getier en gebral
Willem Frederik Hermans: Niet uit kwaadaardigheid
Samengesteld en ingeleid door Max Pam
De Bezige Bij, 386 blz., e 23,50
door KEES T HART
In mijn boekenkast ligt de tweede/herziene/uitgebreide druk van Mandarijnen op zwavelzuur van willem frederik hermans, in kleine letters, uitgegeven in september 1967. Rechtop staan kan het boek niet, daarvoor is het te groot en onhandig. Achterin staat: «In opdracht van De Mandarijnenpers te Groningen werd de tweede druk van dit boek bezorgd door Thomas Rap, Uitgever te Amsterdam. De oplage bedraagt duizend genummerde exemplaren. Dit is nummer (nauwelijks leesbaar) 00138.»
Het is een fotografische herdruk. Hermans heeft zelf nog met inkt verbeteringen aangebracht, bijvoorbeeld op pagina 202 waar «geworden van zichzelf» via een inkt haal is veranderd in «van zichzelf geworden». Ik heb er in de loop der jaren enorm in ge streept en gekrast, ook nu weer. Dit boek is als je het vriendelijk wil zeggen een krankzinnige hybride, maar je kunt het ook een omgevallen knipseldoos noemen. Het gaat rechtstreeks in tegen alle wetten van letter- en boekontwerp. Lettersoorten wisselen elkaar in duizelingwekkende hoeveelheden af en vooral het begin is veel te klein gezet. Een behoorlijk notenapparaat ontbreekt en wat er is, is piepklein. Af en toe staan er getypte commentaren tussen de paginas. Er zitten fotokopieën bij van krantenstukjes. En er staan fotos in met geweldig flauwe onderschriften, bijvoorbeeld die van een apenschedel, met daarnaast vet gedrukt: «Koos Schuur». Of een foto van een pin-up met daarboven «Anna Blaman» (lachen!).
Ik heb altijd last van dit boek gehad. Ik bedoel, ik vond het vanaf het begin in hoofdzaak kinderachtig, flauw, pathetisch en pijnlijk. Flauwekul over Het land van herkomst van Du Perron: dat het afgekeken zou zijn van Stendhals Vie de Henry Brulard, wat een onzin. Dat Du Perrons roman geen «leidende gedachte» zou bevatten en veel «functieloze» mededelingen. Allemaal het resultaat van doelbewust kwaadaardig lezen, of gewoon níet lezen. Ter Braak weer eens verwijten dat hij Nietzsche niet helemaal gelezen heeft. Tegen het «Ventisme» van Forum tekeergaan, maar zelf de grootste ventist aller tijden zijn, je moet er maar opkomen.
En dan dat kleinzielige en troebele ge doe over collega-schrijvers. Lach-of-ik-schiet-humor («Mandarijn Flap ging naar Parijs», «hoernalistiek», «Plucky Gom perts»). En vooral: dat eeuwige leuk zijn ten koste van anderen. Ik vind het nog altijd moeilijk een woord te vinden voor deze stukken van een schrijver die ik verder zo mateloos bewonder en waar ik ook mateloos bewonderende stukken over schreef. Gewoon heel stil zitten, dacht ik altijd als er in de loop der jaren weer een nieuwe omgevallen schoenendoos verscheen met op nieuw van die hoge-toon-bral-bral-stukjes erin. Met die verschrikkelijke grapjes. Er niet over praten en hopen op een nieuwe roman. Of gauw Nooit meer slapen herlezen of Ik heb altijd gelijk. Hard werken en niks laten merken, dat is toch altijd het beste.
Lang heb ik gedacht dat ik de enige in Nederland was die niks in Hermans polemieken zag. Zijn bewonderaars door dik en dun vinden nu eenmaal tot op de dag van vandaag altijd weer een plek om hun lofzangen uit te serveren over de humor en de scherpzinnigheid van de mees ter, die al die rukkers toch maar mooi de oren waste. Maar ik blijk toch niet de enige te zijn.
Ik heb me voor deze gelegenheid fors verdiept in de ontvangstgeschiedenis van Hermans polemieken en het valt allemaal vies tegen. Ze kregen nooit wat je noemt een enthousiast onthaal. Men vond het al bij de eerste druk in 1955 rare kost waar je weinig mee kon en niks aan had, al was het volgens Gerrit Kouwenaar in een stuk in Vrij Nederland (1955) niet nodig om Hermans «een terrorist te gaan noemen omdat hij nu eindelijk ook eens op ónze tenen of daaromtrent is gaan staan».
Kees Fens maakte in 1964 in De Tijd gehakt van een herdruk van Mandarijnen op zwavelzuur. Hij ziet er niet méér in dan «montages van losse opmerkingen» die «steenstapels zonder cement» blijven, waardoor ze «zo vervelend lezen». Hij vindt dat Hermans zich over het verkeerde op windt en dat de «Mandarijnen» al na enkele stukken «ongenietbaar» zijn omdat er «geen andere inzet uit de polemische stukken blijkt dan het in de contramine zijn». De controversen zijn volgens Fens nu al vergrijsd, Hermans wekt de indruk zich kwaad te maken op museumstukken. «Het is een beetje lachwekkend.»
Ook Anne Wadman vraagt zich in een uitvoerig artikel in de Leeuwarder Courant (1964) af wat het belang van deze stukken is: «Maar het is moeilijk over dit rare boek in termen van ernst te spreken.» Hij vindt bijvoorbeeld dat Hermans wel goed gedocumenteerd tegen Ter Braak ten strijde trekt, maar dat «het hem aan ieder historisch perspectief ontbreekt». Overigens meent hij dat achter al de «redeloze zure woede» van Hermans «uiterste gevoeligheid» schuilt.
J.H.W. Veenstra maakt zich over deze «overwegend oude kost» in Vrij Nederland (1964), nog maar eens flink kwaad. Hij geeft toe dat Hermans kan schrijven, maar vindt wel dat «een talent (zijn) rechten pas waarmaakt door het niveau waarop het opereert». Hij meent dat Hermans zelf ook flink meegedaan heeft aan waar hij anderen van beschuldigt, dus «met prijzen knoeien, heu len, hoereren». Hij vraagt zich af waarom Hermans er niet tevreden mee is «zijn wrok en rancune in zijn romans uit te vieren» in plaats van dat hij zich «zo schamel te kijk moet zetten als de tegen alles en iedereen mokkende puber».
Ook latere polemische verzamelbundels zoals Boze brieven van Bijkaart (1977), Ik draag geen helm met vederbos (1979), Door gevaarlijke gekken omringd (1988) en Malle Hugo (1994) droegen niet bepaald de erepalm weg. Het minste verwijt is nog de «ongelijkheid» in kwaliteit van de artikelen: «stukjes van niks», «ordinair bedrog», «overlappingen». Maar de kritiek richt zich ook op de «oubolligheid» ervan ( J.G. Gaarlandt), of het ontbrekende verband (Reinjan Mulder) of op Hermans selectieve verontwaardiging, die vaak op «peuzelwerk, randverschijnselen, snipsnaarderijen, klipscheten, sissers, druppels op gloeiende platen en stofjes aan de weegschaal» is gericht (Bart Vervaeck).
Vaak vindt men dat zijn betogen rusten op veel geschreeuw met weinig wol. «Er is veel misbaar maar het effect ervan is dat van brandalarm op Schokland» (Hans Keller). Ook het «eindeloze doorzagen» van Hermans krijgt de handen niet op elkaar. «Voor de honderdduizendste keer legt hij uit waarom», schrijft Schouten in 1983 in Trouw over de affaire-Weinreb en in 1988 ergert hij zich in een recensie over Door gevaarlijke gekken omringd groen en geel aan het voortdurende zoeken naar «spijkers op laag water, onbeduidende feiten».
De gunstige besprekingen zijn ver in de minderheid. En ook daarin wordt heel wat afgeklaagd, niemand bejubelt het polemische werk ongegeneerd. Ik kreeg zelfs af en toe de puberale neiging het werk om die reden alsnog enorm te gaan toejuichen. Vaak geeft het amusementsgehalte en de «superbe stijl» van de «alom gevreesde Hermans» de doorslag. «Wat blijft is de stijl van Hermans» (Wim Sanders). Maarten t Hart heeft veel bezwaren, maar las Door gevaarlijke gekken omringd met «minstens evenveel genoegen als alle andere essaybundels van Hermans (
) vaak in een schaterlach uitbarstend bij leuke grapjes, woordspelingen, treffende vondsten, en verrassende metaforen».
Toch blijft de vraag wringen wat Hermans precies bezielde toen hij zijn polemieken schreef. Men waardeert wel vrij algemeen zijn meer bewonderende artikelen over bijvoorbeeld Bordewijk en Van Oudshoorn. Of over Wittgenstein en oude schrijfmachines. Maar die polemieken! Wat bezielde hem in hemelsnaam ze te schrijven, op deze toon en met deze bulderende inzet.
Voor Max Pam is het in zijn voorwoord bij Willem Frederik Hermans: Niet uit kwaad aardigheid geen probleem. Hij waardeert de polemieken zonder meer, noemt ze scherpzinnig en humoristisch, vindt het «verrukkelijk dat hier iemand gewoon op de man speelde». Hermans meent volgens Pam dat een schrijver zich helemaal voor de literatuur moet geven, er is eigenlijk geen compromis mogelijk en dit is de onderliggende gedachte van de polemieken. «De ware schrijver is iemand die uitsluitend afgaat op zijn eigen verstand, op zijn eigen gevoelens en zijn eigen verbeelding. Al het andere is epigonisme en gebrek aan talent.» Aldus Pam.
Een dergelijke hyperromantische opvatting over schrijven reconstrueerde ook Arnold Heumakers in 1999 in een artikel over Hermans polemische werk. Ik tegen de rest van de wereld, met als einduitslag 134-0, die uitslag staat uiteraard van tevoren al vast. Hermans snakt volgens Heumakers naar een tijd dat (en nu citeert hij hem) «er geschreven zal worden in de eerste plaats om goed te schrijven en nergens anders om». Het lijkt er dus op dat Hermans een lart pour lart-principe verdedigt, concludeert Heumakers, al zal dat toch ook weer niet de bedoeling geweest zijn, voegt hij eraan toe.
Schrijven als afweermechanisme tegen de rest, ik geloof inderdaad dat je het in deze richting moet zoeken. Maar waarom dan die vaak belachelijke felheid die vrijwel nooit gericht is tegen grote collegas, maar altijd tegen de kleinere goden, al maakte hij graag een uitzondering voor Reve en Mulisch? Waarom dat schieten met een kanon op een mug? Waarom dat jarenlange gepolemiseer tegen van alles en nog wat? Zonder kop en staart, alleen om te polemiseren? Wie weet liet hij er zelfs doodleuk een stuk of drie prachtige romans voor schieten. En dat alles ge doopt in die verschrikkelijke antihumor, die flauwe woordgrapjes, altijd ten koste van anderen, nooit eens bevrijdend over zichzelf. Pam en t Hart vinden het dus wel leuk, en dat moeten zij natuurlijk zelf weten, maar ik zit er altijd met gekromde tenen naar te kijken. Nu, bij opnieuw lezen, weer.
Tussen het geraas, getier en gebral be vindt zich in mijn Mandarijnenuitgave, bijna als een oase van sereenheid en kalme rust, een voortreffelijk en uitvoerig essay van Hermans over zijn roman Ik heb altijd gelijk. Wie iets over Hermans wil beweren, moet daarmee beginnen. Pam heeft het jammer genoeg niet in zijn verzamelbundel opgenomen, ik vind dat een omissie. Hermans schreef het essay in 1952 voor het tijdschrift Podium en eindelijk gaat het over zijn eigen werk, later heeft hij daar over nooit meer zo uitvoerig geschreven. Hij reageert op een recensie van C.J. Di naux, die hij volgens de bekende schreeuw- en brulprincipes eerst een kopje kleiner maakt. Hij laat zien dat er geen sprake is van nihilisme bij zijn hoofdfiguur en dat de oorlog «infantiele complexen in hem activeert als in zovele».
Maar daarnaast geeft Hermans ook een boeiend kijkje in zijn eigen schrijvers keuken. Het is verrassend te zien hoe hij zich schatplichtig toont aan Freud en het existentialisme en ook hoe hij zijn personages voorziet van een symbolische duiding. Hij analyseert haarscherp waar Lodewijks eeuwige gelijk en eeuwige gekanker uit voortkomt.
En dan staat er dit: «Hij (het hoofdpersonage Lodewijk) kan altijd volgens één of ander systeem zichzelf gelijk geven en tenslotte ziet hij zelfs in dat iedereen in deze wereld altijd volgens een of andere waardering gelijk kan hebben, ja, dat zelfs de dood geen gelijk in absolute zin geven kan, want wie dood is, is dood en kan van zichzelf niet meer weten dat hij dood is, omdat dood zijn betekent: niet bestaan.»
Gelijk willen hebben brengt Hermans in Ik heb altijd gelijk niet alleen in verband met een vergeefse weigering toe te geven aan kleinburgerlijkheid, maar dus ook met de dood. De hele roman is ervan doortrokken. Wie anderen ongelijk geeft, overwint de dood. Voor de schrijver Hermans was het, net als voor zijn personage Lodewijk in deze verplichtende en meesterlijke roman, een literair-existentiële noodzaak anderen ongelijk te geven. Alleen zo zou zijn literatuur voort kunnen leven, in stand kunnen worden gehouden.
Zijn polemieken zijn een hogere vorm van literair selfkicken. Vandaar ook de overdreven felheid ervan. Wanneer hij ze niet zou schrijven, dreigde de literaire dood hem op de hielen te zitten. Hermans schrijven kon niet zonder antischrijven. Het een was onlosmakelijk verbonden met het ander, zoals in zijn proza en poëzie het lelijke onlosmakelijk met het mooie verbonden was.
Je zou Hermans in zijn polemieken kunnen vergelijken met de voodoomagiërs van Haïti of de koppensnellers van Nieuw- Guinea, die hun vijanden eerst tot poppen nabouwen en die vervolgens symbolisch doorboren met alles wat er aan spelden, messen en bijlen te krijgen is. Alleen om zelf het eeuwige leven te verwerven.
Samengesteld en ingeleid door Max Pam
De Bezige Bij, 386 blz., e 23,50
door KEES T HART
Het is een fotografische herdruk. Hermans heeft zelf nog met inkt verbeteringen aangebracht, bijvoorbeeld op pagina 202 waar «geworden van zichzelf» via een inkt haal is veranderd in «van zichzelf geworden». Ik heb er in de loop der jaren enorm in ge streept en gekrast, ook nu weer. Dit boek is als je het vriendelijk wil zeggen een krankzinnige hybride, maar je kunt het ook een omgevallen knipseldoos noemen. Het gaat rechtstreeks in tegen alle wetten van letter- en boekontwerp. Lettersoorten wisselen elkaar in duizelingwekkende hoeveelheden af en vooral het begin is veel te klein gezet. Een behoorlijk notenapparaat ontbreekt en wat er is, is piepklein. Af en toe staan er getypte commentaren tussen de paginas. Er zitten fotokopieën bij van krantenstukjes. En er staan fotos in met geweldig flauwe onderschriften, bijvoorbeeld die van een apenschedel, met daarnaast vet gedrukt: «Koos Schuur». Of een foto van een pin-up met daarboven «Anna Blaman» (lachen!).
Ik heb altijd last van dit boek gehad. Ik bedoel, ik vond het vanaf het begin in hoofdzaak kinderachtig, flauw, pathetisch en pijnlijk. Flauwekul over Het land van herkomst van Du Perron: dat het afgekeken zou zijn van Stendhals Vie de Henry Brulard, wat een onzin. Dat Du Perrons roman geen «leidende gedachte» zou bevatten en veel «functieloze» mededelingen. Allemaal het resultaat van doelbewust kwaadaardig lezen, of gewoon níet lezen. Ter Braak weer eens verwijten dat hij Nietzsche niet helemaal gelezen heeft. Tegen het «Ventisme» van Forum tekeergaan, maar zelf de grootste ventist aller tijden zijn, je moet er maar opkomen.
En dan dat kleinzielige en troebele ge doe over collega-schrijvers. Lach-of-ik-schiet-humor («Mandarijn Flap ging naar Parijs», «hoernalistiek», «Plucky Gom perts»). En vooral: dat eeuwige leuk zijn ten koste van anderen. Ik vind het nog altijd moeilijk een woord te vinden voor deze stukken van een schrijver die ik verder zo mateloos bewonder en waar ik ook mateloos bewonderende stukken over schreef. Gewoon heel stil zitten, dacht ik altijd als er in de loop der jaren weer een nieuwe omgevallen schoenendoos verscheen met op nieuw van die hoge-toon-bral-bral-stukjes erin. Met die verschrikkelijke grapjes. Er niet over praten en hopen op een nieuwe roman. Of gauw Nooit meer slapen herlezen of Ik heb altijd gelijk. Hard werken en niks laten merken, dat is toch altijd het beste.
Lang heb ik gedacht dat ik de enige in Nederland was die niks in Hermans polemieken zag. Zijn bewonderaars door dik en dun vinden nu eenmaal tot op de dag van vandaag altijd weer een plek om hun lofzangen uit te serveren over de humor en de scherpzinnigheid van de mees ter, die al die rukkers toch maar mooi de oren waste. Maar ik blijk toch niet de enige te zijn.
Ik heb me voor deze gelegenheid fors verdiept in de ontvangstgeschiedenis van Hermans polemieken en het valt allemaal vies tegen. Ze kregen nooit wat je noemt een enthousiast onthaal. Men vond het al bij de eerste druk in 1955 rare kost waar je weinig mee kon en niks aan had, al was het volgens Gerrit Kouwenaar in een stuk in Vrij Nederland (1955) niet nodig om Hermans «een terrorist te gaan noemen omdat hij nu eindelijk ook eens op ónze tenen of daaromtrent is gaan staan».
Kees Fens maakte in 1964 in De Tijd gehakt van een herdruk van Mandarijnen op zwavelzuur. Hij ziet er niet méér in dan «montages van losse opmerkingen» die «steenstapels zonder cement» blijven, waardoor ze «zo vervelend lezen». Hij vindt dat Hermans zich over het verkeerde op windt en dat de «Mandarijnen» al na enkele stukken «ongenietbaar» zijn omdat er «geen andere inzet uit de polemische stukken blijkt dan het in de contramine zijn». De controversen zijn volgens Fens nu al vergrijsd, Hermans wekt de indruk zich kwaad te maken op museumstukken. «Het is een beetje lachwekkend.»
Ook Anne Wadman vraagt zich in een uitvoerig artikel in de Leeuwarder Courant (1964) af wat het belang van deze stukken is: «Maar het is moeilijk over dit rare boek in termen van ernst te spreken.» Hij vindt bijvoorbeeld dat Hermans wel goed gedocumenteerd tegen Ter Braak ten strijde trekt, maar dat «het hem aan ieder historisch perspectief ontbreekt». Overigens meent hij dat achter al de «redeloze zure woede» van Hermans «uiterste gevoeligheid» schuilt.
J.H.W. Veenstra maakt zich over deze «overwegend oude kost» in Vrij Nederland (1964), nog maar eens flink kwaad. Hij geeft toe dat Hermans kan schrijven, maar vindt wel dat «een talent (zijn) rechten pas waarmaakt door het niveau waarop het opereert». Hij meent dat Hermans zelf ook flink meegedaan heeft aan waar hij anderen van beschuldigt, dus «met prijzen knoeien, heu len, hoereren». Hij vraagt zich af waarom Hermans er niet tevreden mee is «zijn wrok en rancune in zijn romans uit te vieren» in plaats van dat hij zich «zo schamel te kijk moet zetten als de tegen alles en iedereen mokkende puber».
Ook latere polemische verzamelbundels zoals Boze brieven van Bijkaart (1977), Ik draag geen helm met vederbos (1979), Door gevaarlijke gekken omringd (1988) en Malle Hugo (1994) droegen niet bepaald de erepalm weg. Het minste verwijt is nog de «ongelijkheid» in kwaliteit van de artikelen: «stukjes van niks», «ordinair bedrog», «overlappingen». Maar de kritiek richt zich ook op de «oubolligheid» ervan ( J.G. Gaarlandt), of het ontbrekende verband (Reinjan Mulder) of op Hermans selectieve verontwaardiging, die vaak op «peuzelwerk, randverschijnselen, snipsnaarderijen, klipscheten, sissers, druppels op gloeiende platen en stofjes aan de weegschaal» is gericht (Bart Vervaeck).
Vaak vindt men dat zijn betogen rusten op veel geschreeuw met weinig wol. «Er is veel misbaar maar het effect ervan is dat van brandalarm op Schokland» (Hans Keller). Ook het «eindeloze doorzagen» van Hermans krijgt de handen niet op elkaar. «Voor de honderdduizendste keer legt hij uit waarom», schrijft Schouten in 1983 in Trouw over de affaire-Weinreb en in 1988 ergert hij zich in een recensie over Door gevaarlijke gekken omringd groen en geel aan het voortdurende zoeken naar «spijkers op laag water, onbeduidende feiten».
De gunstige besprekingen zijn ver in de minderheid. En ook daarin wordt heel wat afgeklaagd, niemand bejubelt het polemische werk ongegeneerd. Ik kreeg zelfs af en toe de puberale neiging het werk om die reden alsnog enorm te gaan toejuichen. Vaak geeft het amusementsgehalte en de «superbe stijl» van de «alom gevreesde Hermans» de doorslag. «Wat blijft is de stijl van Hermans» (Wim Sanders). Maarten t Hart heeft veel bezwaren, maar las Door gevaarlijke gekken omringd met «minstens evenveel genoegen als alle andere essaybundels van Hermans ( ) vaak in een schaterlach uitbarstend bij leuke grapjes, woordspelingen, treffende vondsten, en verrassende metaforen».
Toch blijft de vraag wringen wat Hermans precies bezielde toen hij zijn polemieken schreef. Men waardeert wel vrij algemeen zijn meer bewonderende artikelen over bijvoorbeeld Bordewijk en Van Oudshoorn. Of over Wittgenstein en oude schrijfmachines. Maar die polemieken! Wat bezielde hem in hemelsnaam ze te schrijven, op deze toon en met deze bulderende inzet.
Voor Max Pam is het in zijn voorwoord bij Willem Frederik Hermans: Niet uit kwaad aardigheid geen probleem. Hij waardeert de polemieken zonder meer, noemt ze scherpzinnig en humoristisch, vindt het «verrukkelijk dat hier iemand gewoon op de man speelde». Hermans meent volgens Pam dat een schrijver zich helemaal voor de literatuur moet geven, er is eigenlijk geen compromis mogelijk en dit is de onderliggende gedachte van de polemieken. «De ware schrijver is iemand die uitsluitend afgaat op zijn eigen verstand, op zijn eigen gevoelens en zijn eigen verbeelding. Al het andere is epigonisme en gebrek aan talent.» Aldus Pam.
Een dergelijke hyperromantische opvatting over schrijven reconstrueerde ook Arnold Heumakers in 1999 in een artikel over Hermans polemische werk. Ik tegen de rest van de wereld, met als einduitslag 134-0, die uitslag staat uiteraard van tevoren al vast. Hermans snakt volgens Heumakers naar een tijd dat (en nu citeert hij hem) «er geschreven zal worden in de eerste plaats om goed te schrijven en nergens anders om». Het lijkt er dus op dat Hermans een lart pour lart-principe verdedigt, concludeert Heumakers, al zal dat toch ook weer niet de bedoeling geweest zijn, voegt hij eraan toe.
Schrijven als afweermechanisme tegen de rest, ik geloof inderdaad dat je het in deze richting moet zoeken. Maar waarom dan die vaak belachelijke felheid die vrijwel nooit gericht is tegen grote collegas, maar altijd tegen de kleinere goden, al maakte hij graag een uitzondering voor Reve en Mulisch? Waarom dat schieten met een kanon op een mug? Waarom dat jarenlange gepolemiseer tegen van alles en nog wat? Zonder kop en staart, alleen om te polemiseren? Wie weet liet hij er zelfs doodleuk een stuk of drie prachtige romans voor schieten. En dat alles ge doopt in die verschrikkelijke antihumor, die flauwe woordgrapjes, altijd ten koste van anderen, nooit eens bevrijdend over zichzelf. Pam en t Hart vinden het dus wel leuk, en dat moeten zij natuurlijk zelf weten, maar ik zit er altijd met gekromde tenen naar te kijken. Nu, bij opnieuw lezen, weer.
Tussen het geraas, getier en gebral be vindt zich in mijn Mandarijnenuitgave, bijna als een oase van sereenheid en kalme rust, een voortreffelijk en uitvoerig essay van Hermans over zijn roman Ik heb altijd gelijk. Wie iets over Hermans wil beweren, moet daarmee beginnen. Pam heeft het jammer genoeg niet in zijn verzamelbundel opgenomen, ik vind dat een omissie. Hermans schreef het essay in 1952 voor het tijdschrift Podium en eindelijk gaat het over zijn eigen werk, later heeft hij daar over nooit meer zo uitvoerig geschreven. Hij reageert op een recensie van C.J. Di naux, die hij volgens de bekende schreeuw- en brulprincipes eerst een kopje kleiner maakt. Hij laat zien dat er geen sprake is van nihilisme bij zijn hoofdfiguur en dat de oorlog «infantiele complexen in hem activeert als in zovele».
Maar daarnaast geeft Hermans ook een boeiend kijkje in zijn eigen schrijvers keuken. Het is verrassend te zien hoe hij zich schatplichtig toont aan Freud en het existentialisme en ook hoe hij zijn personages voorziet van een symbolische duiding. Hij analyseert haarscherp waar Lodewijks eeuwige gelijk en eeuwige gekanker uit voortkomt.
En dan staat er dit: «Hij (het hoofdpersonage Lodewijk) kan altijd volgens één of ander systeem zichzelf gelijk geven en tenslotte ziet hij zelfs in dat iedereen in deze wereld altijd volgens een of andere waardering gelijk kan hebben, ja, dat zelfs de dood geen gelijk in absolute zin geven kan, want wie dood is, is dood en kan van zichzelf niet meer weten dat hij dood is, omdat dood zijn betekent: niet bestaan.»
Gelijk willen hebben brengt Hermans in Ik heb altijd gelijk niet alleen in verband met een vergeefse weigering toe te geven aan kleinburgerlijkheid, maar dus ook met de dood. De hele roman is ervan doortrokken. Wie anderen ongelijk geeft, overwint de dood. Voor de schrijver Hermans was het, net als voor zijn personage Lodewijk in deze verplichtende en meesterlijke roman, een literair-existentiële noodzaak anderen ongelijk te geven. Alleen zo zou zijn literatuur voort kunnen leven, in stand kunnen worden gehouden.
Zijn polemieken zijn een hogere vorm van literair selfkicken. Vandaar ook de overdreven felheid ervan. Wanneer hij ze niet zou schrijven, dreigde de literaire dood hem op de hielen te zitten. Hermans schrijven kon niet zonder antischrijven. Het een was onlosmakelijk verbonden met het ander, zoals in zijn proza en poëzie het lelijke onlosmakelijk met het mooie verbonden was.
Je zou Hermans in zijn polemieken kunnen vergelijken met de voodoomagiërs van Haïti of de koppensnellers van Nieuw- Guinea, die hun vijanden eerst tot poppen nabouwen en die vervolgens symbolisch doorboren met alles wat er aan spelden, messen en bijlen te krijgen is. Alleen om zelf het eeuwige leven te verwerven.
De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween
Auteur:Pär-Ola Jonas Jonasson (oorspronkelijk Per Ola Jonasson; Växjö, 6 juli 1961) is een Zweeds schrijver en journalist die vooral bekend geworden is door zijn bestseller De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween. Hij studeerde Zweeds en Spaans aan de universiteit van Göteborg en werkte tot 1994 als journalist voor het dagblad Smålandsposten in Växjö en voor het Zweedse avondblad Expressen. In 1996 richtte hij het succesvolle mediabedrijf OTW op. Om gezondheidsredenen verkocht hij het bedrijf in 2005. Hij verhuisde met zijn Noorse echtgenote in 2007 naar Ticino in Zwitserland, waar hij zijn debuutroman De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween schreef. Na zijn echtscheiding woont hij sinds 2010 met zijn zoon in Gotland.
Informatie:Als je honderd jaar bent, heb je heel wat meegemaakt in deze wereld. De hoofdpersoon uit 'De 100- jarige man die uit het raam klom en verdween' van Jonas Jonasson kan daar zeker over meepraten. Na op zeer spontane wijze de actie uit te voeren waar de titel naar verwijst, belandt de lezer in een opeenvolging van spontane reacties en toevalligheden die enkele van de meest explosieve momenten uit een eeuw wereldgeschiedenis op hilarische manier koppelen aan de levensgeschiedenis van de man.
Productinformatie:Auteur: Jonas Jonasson
Taal: Nederlands
Vertaald uit het: sv
Vertaald door: Corry van Bree
Oorspronkelijke titel: Hundraaringen Som Klev Ut Genom Fonstret Och Forsvann
Afmetingen: 39x223x154 mm
Gewicht: 627,00 gram
Samenvatting:Allan Karlsson wordt honderd jaar en er is een feest voor hem georganiseerd. Hij zit hier echter niet op te wachten en klimt het raam van het bejaardentehuis uit. Hij besluit met het geld dat hij heeft de bus te pakken. Maar wanneer hij op de bus staat te wachten vraagt een jongen hem op zijn koffer te passen. De jongen komt niet op tijd terug dus stapt Allan met de koffer de bus in. Hij komt bij Julius Jonsson terecht, een eenzame man die zichzelf onderhoudt door te stelen. Samen maken ze de koffer open en die blijkt 50 miljoen kronen te bevatten. Niet veel later weet de jongen te achterhalen waar de oude man met zijn geld heen is en valt het huis van Julius binnen. De twee oude mannen weten de jongen te overmeesteren en stoppen hem in een vrieskist.
De politie is naarstig op zoek naar Allan dus de twee mannen besluiten te vluchten met het geld en het lijk van de jongen. Het lijk dumpen ze onderweg en vervolgens huren ze Benny in als taxichauffeur. Ze lichten Benny in over het geld in de koffer en vertellen hem dat ze waarschijnlijk achtervolgd worden. Ze besluiten van de grote weg af te gaan en onderdak te vragen op een boerderij. Zo belanden ze bij Gunilla, die door Benny schoonheid wordt genoemd en waar hij direct verliefd op wordt. Gunilla huisvest een weggelopen olifant, Sonja, in haar schuur.
Omdat de politie en de bendeleden van de vermoorde jongen hen nog steeds op de hielen zitten koopt het gezelschap een verhuisbus en verbouwt die zodat Sonja ook mee kan. Ze besluiten naar de broer van Benny, Bosse, te gaan, ook al heeft Benny daar ruzie mee, omdat dat hij de enige is die nog familie heeft. Onderweg rijden ze Per-Gunnar Gerdin aan, de baas van de bende waarvan de koffer is. Ze nemen hem mee en verzorgen hem. Nadat ze hem een deel van het geld toekennen doet Per-Gunnar verder niet moeilijk. Bosse blijkt 500 kilo aan bijbels met goud op de snee op de kop te hebben getikt, er staat alleen een foutje op de laatste bladzijde.
Per toeval vindt commissaris Aronsson het gezelschap. Hij licht zijn chef in en die wil een gesprek om op te helderen wat er precies is gebeurd. Ze vertellen hem een ingewikkeld verhaal dat erop neer komt dat Per-Gunnar niet langer een bende leidt maar mensen probeert te bekeren met de bijbels die in de koffer zouden hebben gezeten. Alle leden van het gezelschap zijn hier op een of andere manier bij betrokken. De chef van de politie snapt niets van het verhaal maar pleit iedereen wel vrij en geeft de speurhond de schuld want die zou een lijk hebben geroken dat er niet was.
Het gezelschap is hier erg tevreden mee en besluit met z’n allen, inclusief Sonja, naar Bali te vliegen.
Tijdens het hele verhaal wordt er af en toe teruggeblikt op het leven van Allan en lees je over de memorabele momenten uit zijn leven. Hij wordt al vroeg wees en blaast dan ook nog eens per ongeluk zijn eigen huis op. Met een vriend, Estebán, vertrekt hij in 1929 naar Spanje. Allan heeft niets met politiek maar komt wel in de oorlog tegen het fascisme terecht. Nadat Estebán is omgekomen door een granaat gaat Allan als springstofexpert aan het werk.
Per toeval komt hij bij Generaal Franco terecht die hem toestemming geeft om naar Amerika te reizen. Ook hier gaat hij aan het werk als springstofexpert terwijl in Europa de Tweede Wereldoorlog aan de gang is. Hij komt in contact met president Truman en weet hem te vertellen hoe hij een atoombom moet maken. Truman beseft wie hij met Allan in huis heeft en stuurt hem naar China om daar bruggen op te blazen. Allan wordt overmeesterd en meegenomen naar Teheran. Hij komt hier in de cel terecht maar komt hier ook weer vrij snel uit.
Hierna wordt hij gevonden door Popov, een fysicus van de Socialistische Sovjetrepublieken, en die vraagt hem Stalin te helpen bij het maken van een atoombom. Allan ontmoet Stalin maar de twee kunnen niet goed met elkaar opschieten en Allan belandt in een zogeheten verbeteringskamp.
Na vijf jaar besluit Allan samen met de broer van Einstein, Herbert Einstein, te vluchten en zo komen ze in Noord-Korea. Hier treffen ze Mao Zedong, een bekende van Allan uit zijn tijd in China en hij zorgt ervoor dat Allan naar Bali kan vertrekken. Allan en Herbert hebben hier een heerlijke tijd en Herbert ontmoet hier Amanda. Met z’n drieën vertrekken ze naar Parijs.
Na een aantal jaar besluit Allan zijn vriend Popov op te zoeken om te laten weten dat hij nog leeft. Samen worden ze dubbelspionnen voor de VS en de Sovjet-Unie. Wanneer ze hiermee stoppen krijgen ze een som geld mee waarmee Allan een huisje koopt in zijn geboorteplaats. Wederom blaast hij dit per ongeluk op en belandt zo in het bejaardentehuis.
Recensie:Recensie 1
De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween
Auteur: Jonas Jonasson
"Hè, lekker. Dit is weer eens een dik boek waar we ontzettend vrolijk van werden." Vijf sterren krijgt De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween van Jonas Jonasson in de Veronicagids.
Ook andere commentaren spreken van 'hilarisch' en 'één grote smile'. Kennelijk is er een enorme behoefte aan een boek waar je om kunt lachen... In Zweden zijn er al meer dan 750.000 exemplaren van verkocht. Maar wat wil je ook, in dat lege land met al die sombere meren en fjorden, waar het 's winters maar niet licht wil worden..
Ik zal het maar zeggen: ik heb helemaal niet zo gelachen. Bij vlagen was het vermakelijk.. meer niet. Het deed me denken aan Forrest Gump, ook een man die historische gebeurtenissen van dichtbij meemaakt zonder dat hij het beseft. Alleen is Forrest wat dommer dan Allan Karlsson. Want zo heet die 100-jarige, die doodleuk uit het raam van het bejaardenhuis stapt om alle goedbedoelde maar betuttelende aandacht te vermijden en nog een nieuw leven begint, ja, zelfs nog verliefd wordt!
In het busstation ontfermt hij zich over een koffer vol maffiageld en het avontuur kan beginnen. Er volgt een zwaan-kleef-aan-verhaal, waarbij steeds meer leuke, gekke mensen betrokken raken, die zich niets aantrekken van de maatschappij maar hun eigen logica volgen en, dus, gelukkig zijn. Eerst een oude kruimeldief, dan een maatschappelijk mislukte snackbarhouder, en een vrouw die een olifant in haar schuur houdt. Je lekker nergens iets van aantrekken en iedere dag een borrel. Ik heb het maar opgevat als een satire op de Zweedse verzorgingsstaat. De schrijver woont vast niet voor niks vlak bij de Italiaanse grens.
Door dit verhaal heen, in 'flashbackhoofdstukken, wordt het leven van Allan verteld, dat zo'n beetje de hele 20e eeuw omvat. Allan is namelijk een explosievenexpert, en dat bracht hem in de nabijheid van alle kopstukken uit de Koude Oorlog. Hij ontmoet de Amerikaanse president Truman, Mao, Kim il Song uit Korea, Stalin, president De Gaulle, en later president Johnson. Stuk voor stuk worden ze belachelijk gemaakt in al hun politieke ambities en hun menselijke onbenulligheid. Allan benadert iedereen op zijn eigen laconieke manier en houdt zich verre van politiek. Zelfs van een verblijf in de Goelag kan hij nog wel de zonnige kant zien. Daardoor wordt die politiek heel belachelijk. Maar ook de justitie, en vooral de politie, die het groepje blunderend achtervolgt... iedereen moet eraan geloven in het vrolijke, satirische universum van Jonasson.
Het was vast erg leuk om dit verhaal te bedenken; maar ik vind het allemaal wel erg...lollig: Een halfbroer van Albert Einstein, die juist heel erg dom is, of een olifant die boven op een boef gaat zitten zodat die in de enorme poephoop gesmoord wordt. Leuk voor een kinderboek.
Lezers willen kennelijk graag een positief verhaal. Veel kwaad kan het niet en dat ze nog iets meepikken van de geschiedenis, dat is alleen maar meegenomen.
En o.ja... de verfilming komt eraan. Misschien is Tom Hanks zo langzamerhand oud genoeg te maken voor de rol???
Recensie 2
Een roman die al 125 weken in de lijst met 60 bestverkochte titels van Nederland staat verdient natuurlijk ook een recensie op MustReads. Wat maakt deze ouderwetse schelmenroman zo bijzonder? Precies datgene wat de film Forrest Gump ook een plekje in de harten van vele mensen deed veroveren: een sterk verhaal.
Koop dit boek: Ebook Papieren boek
Want sterke verhalen vertellen dat is precies wat de 100-jarige Allan Karlsson graag doet. Hij heeft dan ook heel wat om over op te scheppen. Zijn hele leven heeft in het teken gestaan van bijzondere gebeurtenissen, doordat hij precies op de juiste plek aanwezig was tijdens de grote momenten van de wereldgeschiedenis in de 20e eeuw. Maar voor zijn verhaal verteld wordt, moet hij eerst nog een laatste eigenzinnige stap zetten. Net als in het bejaardentehuis waar Allan woont alles klaargemaakt wordt voor een groots feest ter gelegenheid van zijn 100-jarige verjaardag – waar nota bene ook de wethouder bij aanwezig zal zijn – besluit Allen dat hij er geen zin in heeft. Via de deur verdwijnen trekt ongetwijfeld de aandacht, dus daarom stapt hij met zijn stramme lijf het raam uit, het bloemenperkje in, waar hij even blijft staan alvorens de wijde wereld in te trekken.
Je zou denken, zo’n oude man komt vast niet ver, maar het tegendeel blijkt. De oude man loopt via de kerk, waar hij even uitrust, naar het busstation. Daar aangekomen neemt hij de bus naar waar hij maar, zuinig als hij is, voor 50 kronen kan komen. Zonder twijfel stapt hij in de bus, daarbij een koffer meenemend die een jongeman zojuist aan hem had toevertrouwd, omdat hij even moest ‘schijten’. De koffer blijkt boordevol met geld, genoeg om jarenlang van te leven, en zo begint een doldwaze tocht door Zweden. De politie is inmiddels ingelicht over de verdwijning van de oude man, en ook de jongeman van de koffer zit de oude man achterna. Maar de 100-jarige ontmoet een aantal mensen die hem helpen uit handen van zowel de criminelen als de politie te blijven.
Tegelijk met de ontsnapping van Allan uit het bejaardentehuis, krijgen we in alternerende hoofdstukken te horen over Allans levensverhaal. Hij is in 1905 geboren en heeft nogal bijzondere ouders. Zijn vader laat het gezin in de steek om tegen de Russische tsaar te vechten, en kwam al vroeg te overlijden. Niet lang daarna stierf ook zijn moeder en stond de jongen er alleen voor. Hij begon zijn werkzame leven in een dynamietfabriek en kwam op die manier in verschillende oorlogssituaties terecht. Allereerst de Spaanse Burgeroorlog, waar hij toevallig generaal Franco ontmoet en beste vrienden met hem wordt. Vervolgens komt hij in Amerika waar hij betrokken raakt bij de ontwikkeling van de atoombom en en passant de Amerikaanse president Truman ontmoet. Later in het boek zal hij nog uitgebreid eten of drinken met mensen als Mao, Stalin, Charles de Gaulle en Lyndon B. Johnson. Ook maakt hij een reis met een halfbroer van Albert Einstein.
Het succes van De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween is niet moeilijk te verklaren. Jonas Jonasson schrijft vlot en vaardig, zonder de lezer te vermoeien met uitweidingen, moeilijke zinnen of lange dialogen. Door het verleden van Allan te koppelen aan belangrijke gebeurtenissen uit de recente geschiedenis geeft hij een extra lading aan het verhaal. De roman zit boordevol (zwarte) humor, overdrijvingen en sterke verhalen. Adriaan en Olivier meets Forrest Gump, zo zou je het boek nog het beste kunnen beschrijven. Jonasson voert de verwikkelingen in het boek tot in het absurde door, zodat je als lezer steeds verder het verhaal in wordt meegezogen. Erg geloofwaardig is het allemaal niet, maar dat hoeft immers ook niet voor verhalen die bij een goed glas brandewijn verteld worden.
Taal: Nederlands
Vertaald uit het: sv
Vertaald door: Corry van Bree
Oorspronkelijke titel: Hundraaringen Som Klev Ut Genom Fonstret Och Forsvann
Afmetingen: 39x223x154 mm
Gewicht: 627,00 gram
Tsjik
Auteur:Wolfgang Herrndorf (* 12. Juni 1965 in Hamburg ; † 26. Augustus 2013 in Berlijn ) was een Duitse schrijver , schilder en illustrator. Wolfgang Herrndorf studeerde schilderkunst aan de Academie voor Schone Kunsten, Neurenberg . Hij werkte als illustrator en schrijver, onder andere voor het fanzine Luke & Trooke , de Haffmans Verlag en het satirische tijdschrift Titanic.
Informatie:Tschick is een in 2010 verlag gepubliceerd als jeugd roman geschreven door Wolfgang Herrndorf .
Het gaat over de onwaarschijnlijke vriendschap tussen een 14-jarigen uit de middenklasse en een verwaarloosde jonge uit Rusland. Het werk was in 2011 met de Duitse Jeugd Literatuurprijs en de Clemens Brentano Prize en 2012 met de Hans Fallada Prize bekroond. Het boek is vertaald in 24 talen en is meer dan 1 miljoen keer alleen al in Duitsland in juni 2013 verkocht.
Productinformatie:Auteur: Wolfgang Herrndorf
Taal: Nederlands
Vertaald uit het: Duits
Vertaald door: Pauline de Bok
Oorspronkelijke titel: Tschick
Afmetingen: 22x200x126 mm
Gewicht: 308,00 gram
Samenvatting:Het leven van Maik is niet om over naar huis te schrijven. Hij krijgt geen aandacht van de meisjes, zijn moeder zit voor de zoveelste keer in een ontwenningskliniek en zijn vader is op 'zakenreis' met zijn uitdagend geklede secretaresse.
Het mooiste meisje van de school, Tatjana, geeft een feest en Maik is er niet voor uitgenodigd. Maik leest in een boek over een vijftienjarige jongen die avonturen meemaakt en fantaseert erover dat hij, nu zijn ouders weg zijn, alles kan doen wat hij maar wil. Dan rijdt Tschick met een auto de oprit op. Tschkick was niet zo lang op geleden op school gekomen en hij was een Rus. Hij stelde zich niet erg sociaal op en maakte zich dus ook niet populair. Maik had hem vanaf de eerste dag al niet uit kunnen staan. Bovendien heeft Tschick een alcoholprobleem.
Tschick zegt dat hij de auto niet gestolen heeft, maar dat hij hem even heeft geleend en hem wel weer terugzet. Tschick vraagt of Maik een stukje mee gaat rijden. Maik ziet dat in eerste instantie niet zitten, maar doet het uiteindelijk toch. Tschick stelt voor om naar Walachije te rijden. Hij zegt dat zijn opa daar woont. Walachije is een regio in Roemenië. Maik denkt dat Walachije niet bestaat en gaat er niet in mee. Als hij ’s avonds thuis is en zich alleen voelt, blijft hij er toch over nadenken en dan staat Tschick ineens met een plunjezak op de stoep: klaar om op reis te gaan.
De jongens besluiten telkens door middel van kop of munt te bepalen welke kant ze op zullen gaan, maar daardoor blijven ze rondjes rijden. Uiteindelijk bepalen ze aan de hand van een kompas op het horloge van Tschick hoe ze zullen rijden. Zo begint er een reis die de jongens in allerlei bijzondere situaties brengt. Ze stelen bijvoorbeeld de kentekenplaat van een andere auto om te verhullen dat deze auto gestolen is, ze doen flink hun best om indruk bij de meisjes te maken met 'hun' auto en op een zeker moment worden ze gesnapt door een agent. Maik zit op dat moment niet in de auto, dus als Tschick ervandoor gaat, heeft hij een probleem. Mail weet de fiets van de agent te stelen en door middel van een briefje op een ontmoetingsplek kunnen de twee elkaar terug vinden.
Wanneer de jongens op een vuilnisbelt op zoek zijn naar een slang om benzine mee te jatten, ontmoeten ze Isa. Ze vinden haar dom, ze stinkt en ze praat te veel maar de jongens nemen haar uiteindelijk toch mee. Isa stelt Maik voor om seks te hebben, maar hij is verlegen en houdt de boot af. Uiteindelijk besluit Isa toch haar eigen weg weer te vervolgen.
Na een hoop bijzondere ontmoetingen, raken de jongens betrokken bij een ongeluk met een vrachtwagen vol varkens. Wanneer de politie komt, vlucht Tschick, maar Maik niet. Maik wordt naar het ziekenhuis gebracht met verwondingen aan zijn hoofd en been. De ouders van Maik zijn woest. Zijn vader slaat hem en ze willen dat hij de rechter vertelt dat het allemaal de schuld van Tschick is. Maik voelt daar niets voor.
Tijdens de rechtszitting nemen Tschick en Maik het voor elkaar op. Tschick moet in een inrichting blijven en Maik krijgt alleen een taakstraf. Wanneer Maik weer naar school moet, mist hij Tschick. Tatjana stuurt hem een briefje om te vragen wat er gebeurd is. Wanneer hij een briefje met uitleg terugstuurt, belandt dat bij de leraar, die het hele verhaal voorleest. De leraar gelooft er niets van en maakt Maik belachelijk, tot de directeur vraagt of Maik mee kan komen. Achter hem staan agenten. Er blijkt weer een auto gestolen te zijn en de agenten willen weten of Maik en Tschick daar iets mee te maken hebben.
Er komt een brief voor Maik op school. Hij blijkt van Isa te zijn, ze wil hem graag weer zien. Terwijl de moeder van Maik alle huisraad in een zwembad staat te kieperen, bedenkt Maik dat hij de gelukkigste zomer van zijn leven heeft gehad.
Recensie:Recensie 1
Het gaat over de onwaarschijnlijke vriendschap tussen een 14-jarigen uit de middenklasse en een verwaarloosde jonge uit Rusland. Het werk was in 2011 met de Duitse Jeugd Literatuurprijs en de Clemens Brentano Prize en 2012 met de Hans Fallada Prize bekroond. Het boek is vertaald in 24 talen en is meer dan 1 miljoen keer alleen al in Duitsland in juni 2013 verkocht.
Tsjik
RECENSIECrossen in een Lada
'Dit boek is als een roadmovie, maar dan beter', schreef vorig najaar de Süddeutsche Zeitung over Tschick van Wolfgang Herrndorf.
Deze hilarische roman, over twee Berlijnse tieners die met een gestolen auto door Oost-Duitsland crossen, is om twee redenen opmerkelijk. Herrndorf, dertig jaar ouder dan zijn jeugdige hoofdpersonen, heeft zich opvallend goed verplaatst in hun denkwereld en taal.
Maik Klingenberg, de 14-jarige zoon van een vrijwel failliete makelaar en een aan alcohol verslaafde moeder, is de ik-verteller. 'Over alles praten. En schijt aan de mensen', heeft zijn moeder hem geleerd. Hij vertelt er ongegeneerd op los, waarbij zijn laconieke toon contrasteert met het beeld dat hij van zichzelf schildert: een 'saaie lul' en een 'lafaard'.
De tweede hoofdpersoon is Tsjik, een Russische immigrant van 15 jaar die plots opduikt in Maiks klas, waar hij met de nek wordt aangekeken. Hij is asociaal, arm en stinkt naar drank. Aan het begin van de zomervakantie komt hij met een oude, 'geleende' Lada aanrijden en haalt Maik, eenzaam in de ouderlijke villa, over om met hem naar Walachije te gaan. Op goed geluk beginnen ze aan hun reis, waarbij ze op de meest onmogelijke plekken belanden en tweemaal verongelukken.
Als de autotocht na het tweede ongeluk eindigt en beiden voor de rechter moeten verschijnen, zijn Maik en Tsjik geen eenzame tieners meer uit verschillende werelden. Ze zijn vrienden geworden die het voor elkaar opnemen.
Het slot is even dwaas als ontroerend. Maik en zijn dronken moeder zitten hand-in-hand op de bodem van hun zwembad, waar ze kort tevoren het meubilair uit de villa in hebben gekieperd. Maik denkt 'dat het een te gekke zomer was geweest, de beste zomer ooit'.
Recensie 2Onooglijke oesters herbergen soms ware parels
27 oktober 2011
De gerenommeerde Zweedse schrijvers Per Nilsson en Katarina Kieri voegen met In deze boom een nieuw boek toe aan een groeiend corpus young-adult literatuur. Veel boeken uit het populaire genre blijken na lezing geen blijvertjes. In deze boom daarentegen, beklijft.
Sinds boekhandels kasten vrijmaakten voor young adult-literatuur, zijn uitgevers die plankruimte gaan vullen met handenvol boeken. Soms pareltjes, soms papierverspilling, meestal iets daartussenin. Een voorbeeld is Tsjik van Wolfgang Herrndorf. Het schept hoge verwachtingen, want het begint pakkend, gaat plezierig maf en onderhoudend door, maar blijkt toch te licht om te beklijven. En: het gaat precies volgens de beproefde formule. Een jongen in zijn laatste jongensjaren, op school onopvallend maar pril verliefd, die een onverwachte vriendschap opdoet, een roadtrip onderneemt en wat dichter bij de volwassenheid eindigt. En Tsjik is daarom geen blijvertje.
Voor ware parels moeten soms onooglijke oesters opengebroken worden. In deze boomziet er tussen de kleurige roadtrip-omslagen afstotelijk grauw uit, heeft zo’n zwaarmoedige flaptekst dat je er meteen om moet huilen, en er staat op de kaft ook nog iets dat je geen aanprijzing kunt noemen: ‘Een invoelend portret van twee eenzame jongeren.’
Bronnen:
http://www.literatuurgeschiedenis.nl/lg/20ste/tekst/lg20064.html
Maik Klingenberg, de 14-jarige zoon van een vrijwel failliete makelaar en een aan alcohol verslaafde moeder, is de ik-verteller. 'Over alles praten. En schijt aan de mensen', heeft zijn moeder hem geleerd. Hij vertelt er ongegeneerd op los, waarbij zijn laconieke toon contrasteert met het beeld dat hij van zichzelf schildert: een 'saaie lul' en een 'lafaard'.
De tweede hoofdpersoon is Tsjik, een Russische immigrant van 15 jaar die plots opduikt in Maiks klas, waar hij met de nek wordt aangekeken. Hij is asociaal, arm en stinkt naar drank. Aan het begin van de zomervakantie komt hij met een oude, 'geleende' Lada aanrijden en haalt Maik, eenzaam in de ouderlijke villa, over om met hem naar Walachije te gaan. Op goed geluk beginnen ze aan hun reis, waarbij ze op de meest onmogelijke plekken belanden en tweemaal verongelukken.
Als de autotocht na het tweede ongeluk eindigt en beiden voor de rechter moeten verschijnen, zijn Maik en Tsjik geen eenzame tieners meer uit verschillende werelden. Ze zijn vrienden geworden die het voor elkaar opnemen.
Het slot is even dwaas als ontroerend. Maik en zijn dronken moeder zitten hand-in-hand op de bodem van hun zwembad, waar ze kort tevoren het meubilair uit de villa in hebben gekieperd. Maik denkt 'dat het een te gekke zomer was geweest, de beste zomer ooit'.